Voor kastje zie muur

De eerste oplage telt 60.000 exemplaren, gedrukt op 450.000 kilo papier en voorzien van 144.000 meter leeslint. Er staan 308.811 betekenissen in, waarvan er 17.153 nieuw zijn. Welkom in de wereld van de nieuwe, spotgoedkope Van Dale.

Ik was een jaar of tien. We waren met wat vriendjes van school en een paar buurtkinderen aan het spelen, toen een van ons voorstelde een woordenboek te voorschijn te halen. Het was zo'n klein compact woordenboek, dat weet ik nog, wat je noemt een handwoordenboek, van Koenen-Endepols vermoedelijk. Het ding was nieuw voor mij. En het te spelen spel ook: we gingen, hoe komt iemand erop, vieze woorden opzoeken. Iemand van ons had het lef om meteen naar de k te gaan, en wel de k van keutel. Zij had ook op zich genomen de voordracht te doen. Zij declameerde het woord keutel, gevolgd door een gespannen stilte, en sprak daarna op spreekstalmeestertoon de omschrijving van het woordenboek uit: `hard stuk drek'. Waarna zij in proesten uitbarstte en iedereen zich op het woordenboek stortte, vol ongeloof, om met eigen ogen te zien wat we net hadden gehoord. Hard stuk drek. Het stond er echt.

De verbijstering was groot, bij ons allemaal. Niet alleen omdat een zo vies woord (en een zo vies ding) als keutel erin stond, maar omdat het ook nog eens van een echte omschrijving was voorzien. Terwijl natuurlijk iedereen wel wist wat een keutel was. Daar had je geen woordenboek voor nodig. En dan de omschrijving zelf. Misschien kwam het omdat in onze straat het dialect op dit punt net even afweek, maar wij kenden drek alleen maar als een ander woord voor modder, blubber, bagger, soppige grond waarin je met je laarzen in de tuin wegzakte. In onze ogen was het erg vreemd om van een keutel te zeggen dat hij uit modder bestond – alsof wij op onze toiletten geen gewone keutels produceerden, maar korte en harde zandstaafjes. Wat een rare manier van zeggen. En als drek dan al inderdaad en werkelijk keuteldrek was (zoals in het Duits: Dreck), dan konden wij ons bij al onze hilariteit toch echt niet voorstellen dat je er in een officieel woordenboek voor koos om, ter aanduiding van de samenstelling van de materie, te spreken van een hard stuk. De hardheid kon, wisten wij al uit eigen ervaring, op allerlei manieren variëren.

Het was het eerste lemma in mijn leven: keutel. Daarna zullen we ook nog wel drol hebben opgezocht, en pies en plasser en allerlei andere spannende in- en uitgangen, maar dat herinner ik me niet meer. Ik herinner me alleen `hard stuk drek' – als een toverformule. Het voelde als een inwijding. Zo ging het er dus blijkbaar aan toe in de grote wereld. Van een keutel zei je niet wat het was, maar je ging een beetje raar, ouderwets, formeel, commissarisachtig spreken, als in een toneelstuk, en dan zei je: ,,Een keutel is een hard stuk drek.'' Er was dus blijkbaar, dat hadden wij nu ontdekt, nog een andere wereld naast de gewone alledaagse wereld die wij kenden – en dat was de wereld van de beschrijving, de zakelijke aanduiding, de puntsgewijze opsomming, in een wat ambtelijke, afstandelijke, vervreemdende stijl, die niettemin grappig kon zijn.

Welkom in de wereld van het lemma. Welkom in de wereld van het woordenboek. Ik had na mijn inwijding de smaak goed te pakken. Ik ging ook in mijn eentje woordenboeken lezen. Eerst stiekem natuurlijk, maar later steeds vaker open en bloot. Soms liet ik het boek zelfs gewoon open op tafel liggen als ik wegliep. Dan zagen de mensen wel dat ik mij weer eens verlustigd had aan de aanblik van woorden als erwtenpeulboorder, erwtenpikkertje, erwtenroest, erwtenteller, erwtentule, erwtenworst en erwtje (Bargoens: elektrische bel), maar daar schaamde ik me toen niet meer voor. Het was zuivere liefde: liefde voor gelemmatiseerde kennis. Lemmafilie. Zo opwindend en overrompelend als de eerste keer werd het daarna natuurlijk nooit meer, maar soms had je geluk, en vond je iets moois of raars of ongelooflijks dat er in intensiteit toch aan herinnerde.

Enkele jaren later hoorde ik het verhaal van de student die in de grote stad Nederlandse taal- en letterkunde was gaan studeren. Als hij in de weekeinden thuiskwam kon zijn familie hem soms, tot hun grote verbijstering, in een hoek van de huiskamer aantreffen met een deel van de Dikke Van Dale op de knie: rustig lezend, van lemma tot lemma. Hij was begonnen bij de A, en werkte zich in de weekeinden zo rustig door het hele woordenboek heen. Een man naar mijn hart. Zo wilde ik ook leven!

Deze week is er een nieuwe druk van Van Dale verschenen, de veertiende uitgave sinds 1864. Drie dikke delen, 4.464 bladzijden, in mooi grijsblauw, elk deel voorzien van twee blauwe leeslinten. Wat nu te doen? Eigenlijk zou ik eerst alles moeten lezen, van a kleine terts tot en met zzz, klanknabootsing van een zoemend geluid (bijvoorbeeld van bijen). En dan daarna nog even de drie aanhangsels, met zoals altijd de lijst van gevleugelde woorden, titels en citaten, de lijst van namen uit de Griekse en Romeinse oudheid en de lijst van bijbelse namen. Misschien zou iedereen dat moeten doen – en dan pas weer verder schrijven. Even een kleine schrijfstilte tot, zeg, 1 augustus 2006 – want dan gaan de nieuwe spellingsregels in. In de tussentijd kan iedereen dan meteen even die nieuwe spelling leren, want voor het eerst loopt de spelling van de nieuwe dikke Van Dale gelijk op met de nieuwe regels. Zie het keurmerk `Officiële spelling' van de Nederlandse Taalunie – sinds deze week weet de consument dan dat het met de spelling helemaal goed zit in het onderhavige product.

Er gaat iets dwingends uit van zo'n nieuwe druk met keurmerken, met al die geregisseerde media-aandacht, en al die strikte geheimhouding over welke negenduizend asielwoorden nu een verblijfsvergunning voor het woordenboek gaan krijgen, en welke woorden nog niet aan de inburgeringseisen hebben voldaan. Alsof de levende taal van het Van Dale-concern is. Alsof er taalterroristische dreiging op de taalstations is, en de politie in de hoogste staan van alertering (niet opgenomen) dient te zijn. Alsof het een zaak van de regering is. Het lijkt wel alsof we Beatrix horen, op de hoge stoel in de Ridderzaal, sprekend namens een collectivum, als we in de inleiding zinnen lezen als: `Een aanzienlijk deel van de veranderingen in de woordenschat is geworteld in goed te identificeren technische, maatschappelijke, culturele en economische ontwikkelingen die kortere of langere tijd in het centrum van de aandacht staan. Recentelijk hebben zeer diverse verschijnselen bijgedragen aan de uitbreiding van de Nederlandse woordenschat, zoals nieuwe toepassingen binnen de telecommunicatie, de integratieproblematiek, de diversificatie van cultuuruitingen en de invoering van de euro.'

Troonredeproza. Begrijpelijk is het wel. Wie een woordenboek maakt moet toch in ieder geval even de almachtsfantasie koesteren om de hele wereld in één boek te vangen. Zie ook de lijst van redactionele afkortingen, voorin elk deel, met zijn dwingende indeling van de wereld in categorieën: biol., meetk., econ., psych., fil., mil. en zo verder. Klompenm.: bij klompenmakers. Kolfsp.: kolfspel. Bilj.: biljartspel. En natuurlijk beugvis.: bij beugvissers. Het universum in een notendop. Zie ook, van een even dwingende indelingskracht getuigend, de titulatuur, nog altijd een van mijn lievelingsonderdelen van een woordenboek. Wat zetten we boven een brief aan een luitenant-ter-zee derde klasse oudste categorie, wat moet er op de enveloppe aan een substituut-officier van justitie, en wat zeggen we als we een moeder-overste in de gang tegenkomen, of een paus? Er schuilt ook altijd iets van een strafwetboek in zo'n nieuwe druk van het nationale woordenboek. Ook daarom is het zo opluchtend om tussen de keuspot, de keut en de keuvel gewoon weer net als vroeger de keutel aan te treffen, zijnde nog steeds `een hard stuk drek'.

En daar was ineens ook het heempje. Het heempje? Ik sloeg het eerste deel open en zag in een verloren tussenregel het heempje. Wat is een heempje? Een heempje is een heimpje, zie aldaar. Hier zien we de woordenboekervaring bij uitstek, bekend bij alle gebruikers. Zie ook: van het kastje naar de muur gestuurd worden. Elke woordenboekgebruiker weet dat op het kastje een briefje hangt met de tekst `zie muur'. En op de muur hangt een briefje met de tekst: `zie kastje'. Willen we nog weten wat dan een heimpje is? Dit is het moment waarop de woordenboekbokken worden gescheiden van de woordenboekschapen. De aanhouders bladeren een, twee, drie, vier bladzijden verder om tussen heitjespiejijzer en heinhaak, heimatfilm en heistermadam het heimpje te vinden. De ervaren gebruiker weet ook dat hij eigenlijk niet mag willen weten wat een heinhaak is, anders zou hij maar verloren raken in zijwegen. Daarom leest hij in het voorbijgaan alleen maar heel snel dat een heinhaak een `haak met drie tanden aan een lange houten steel (onder een hoek van 60˚), om sloten te heinen' is – en probeert dat even snel weer te vergeten. En wat is, even snel tussendoor, een `heistermadam'? Dat is, gewestelijk, een `onzakelijk, onredelijk of verward denkend vrouwspersoon.'

We kennen ze allemaal, maar noemen ze meestal anders. Wat een heimatfilm is, denken we wel zo ongeveer te weten, maar hoe omschrijf je het genre? We hebben geen tijd om de mooie brede omschrijving te lezen (`film, m.n. Duitse film uit de jaren 50 van de twintigste eeuw, waarin zeden en gebruiken van een veelal nog niet door de vooruitgang aangetaste streek worden geïdealiseerd'), laat staan inhoudelijk te beoordelen. Ook dat vreemde woord heitjespiejijzer moet worden overgeslagen, hoe moeilijk dat ook is (Bargoens: 1. kwartjesvinder 2. kleine scharrelaar 3. klaploper), want anders komen we nooit bij ons heimpje. Als daar maar niet staat, oude vrees van de woordenboeklezer, `zie: heempje'. Gelukkig niet. Een heimpje is, gewestelijk, een huiskrekel. Zoals het een goed woordenboek betaamt, noteert Van Dale daarachter wel: `variant heempje'.

Een huiskrekel, dus. Ach. Ik moest even slikken van ontroering. Ik zou ook wel een huiskrekel willen hebben. In een kooitje. Of in een soort grasterrarium. En dat hij of zij dan 's avonds, als we het gezellig hebben, begint te tsjirpen. De poes ligt op de bank te spinnen, de kippen op stok, de hond met zijn kop op de voorpoten – en de huiskrekel tsjirpt een vrolijk deuntje mee. Hoeveel kost een huiskrekel? Maar Saskia van Saskia's Dierenpaleis verkocht ze niet, en kende ze ook niet. Er is blijkbaar geen markt voor huiskrekels: `in de huizen levende krekel (Gryllus domesticus)'.

Zo had het ene heempje mij al naar de dierenwinkel gebracht. Ik was nog niet thuis of daar viel mijn oog, in deel II, op de kalkklieren. De kalkklieren? Je kon je er iets bij voorstellen, iets inwendigs en medisch (`hij heb het an se kalkklieren, segt de dokter, dus dan zit je mooi, met je gewrichten'), maar dat bleek het helemaal niet te zijn: `volksnaam voor hoofdzeer.' Toen ik voor de zekerheid hoofdzeer er nog even op nasloeg, trof ik daar geen koppijn, maar een `ziekelijke uitslag op het hoofd'. De dokters spreken van tinea capitis. Een ander woord voor dit hoofdzeer blijkt te zijn: favus. En bij favus (`huidziekte op het behaarde deel van het hoofd') lezen we dat favus het latijnse woord is voor honingraat, `naar de putjes die in de huid achterblijven', met als synoniemen hoofdzeer en kletskop. Kletskop? Was een kletskop niet een soort koekje? Ook daarin kan Van Dale ons helpen. Kletskop is de bedoelde huidziekte, maar ook, `bij vergelijking', een `dun, hard, bruingebakken stroperig koekje met stukjes amandel erop'. Vooral de toevoeging `bij vergelijking' trof mij even: zou het korsterige bruine koekje werkelijk naar de huidziekte vernoemd zijn? Ik stond alweer op het punt om naar de koekjeswinkel te rennen voor een pak kletskoppen, om de zaak eens nader te bestuderen.

Zo moet een woordenboek zijn. Het moet je tussen winkels heen en weer laten draven, bij wijze van spreken, laten dwalen tussen lemma's, de ogen openen, aansporen tot eigen onderzoek en zo verder. Dat kan alleen als het een zekere omvang heeft, met ruimte voor verbijzonderingen, een etymologische uitweiding hier en daar, een rare voorbeeldzin of een iets te persoonlijke toon in de omschrijvingen. Grilligheid bevordert het gebruik, en verhoogt het plezier. Het kan ook alleen als het materiaal leeft: als er nieuwe woorden bijkomen, als er citaten van nog levende auteurs worden toegevoegd, als de omschrijvingen worden bijgesteld en als er woorden verdwijnen. Intussen zou ik naast het traditionle gedoe over wel of niet op te nemen nieuwe woorden ook wel eens een lijst willen zien van verdwenen woorden: daar valt evengoed de verandering van taal en wereld aan af te lezen. Een probleem met veel nieuwe woorden is ook dat de omschrijving nog vaag moet blijven, omdat het begrip zelf nog vaag is. Of, dat kan natuurlijk ook, de samenstellers weten het zelf niet zo goed. UMTS is een afkorting van universal mobile telecommunications system, zegt Van Dale, en het is een `bepaalde standaard voor mobiele telefonie'. Wie niet weet wat het is, weet het na raadpleging van het woordenboek nog steeds niet. Wilt u weten wat grunge is? Dat is een `stijl in de mode en de popmuziek die gekenmerkt wordt door losse eenvoud en ongebruikelijke combinaties'. Wie dat leest, hoort meteen Nirvana. Garagerock is trouwens een `genre binnen de rockmuziek met een stevig, met eenvoudige middelen voortgebracht ritme'. We zien de pollepels en pannendeksels wel voor ons, waarmede de jongelui in hunne garagehokken een stevig ritme voortbrengen. Zie ook: heipaal.

Voor de levendigheid lijkt het mij goed dat er onder de geciteerde auteurs niet alleen gediplomeerde schrijvers en wetenschappers zijn, maar ook voetballers, trainers, cabaretiers, acteurs en een enkele striptekenaar. Marten Toonder is hier aanwezig met minkukel, dorknoper, denkraam en breinbaas. Johan Cruijff: elk nadeel heb se voordeel. Leo Beenhakker: patatgeneratie. Co Adriaanse: scorebordjournalistiek. Ruud Gullit komt voor in het lemma kogelen (`Gullit kogelde de bal in het doel') en als naamgever van de gullitpruik (`pruik van dreadlocks, wel gedragen door voetbalsupporters'). Zou de gullitpruik de vijftiende editie halen? En zou Gullit dan nog wel de bal in het doel mogen kogelen? Ik gok op Afellay.

De plekken waar de voetballers in het woordenboek opduiken zijn gemakkelijk te vinden met de zoekfuncties op de cd-rom, die bij de drie dikke papieren delen wordt meegeleverd. Daarop is het hele woordenboek te vinden. Het zoeken is nog maar een van de vele extra's ervan. Er is ook een volledige editie op te vinden van de allereerste druk van Van Dale, uit 1864, rechtstreeks gekoppeld aan de nieuwste druk, en zowel in nieuwe als in oorspronkelijke spelling te doorzoeken. Dan is er ook nog het onderdeel `woordvormen', dat bij alle werkwoorden alle vervoegingen geeft. Plus het onderdeel `dubbelgangers', dat waarschuwt voor woorden die verdacht veel op het gezochte woord lijken (katheder – katheter). Plus de mogelijkheid om op klank te zoeken als men de spelling niet weet.

De drie delen en de cd-rom kosten samen 179 euro. Dat is spotgoedkoop (Van Dale: `bijzonder goedkoop'). Kritiek lijkt mij niet goed mogelijk, bij zo'n groot project, dat zich op zo'n groot publiek met zoveel verschillende gebruiksdoelen richt. Omgekeerd kan je ook zeggen dat iedere gebruiker daarom wel ergens ontevreden over zal zijn. Zelf zou ik wel iets minder dorre plekken willen zien. Treiteraar, treiterachtig, treiterig, treiterlach – zou er in dat soort opsommingen niet wat meer gewied mogen worden? En in de omschrijvingen had ik wel iets meer scherpte, gril, brille, humor, flonkering willen zien – en wat minder grijze ambtenaarlijkheid. `Treinlocomotief, locomotief van een trein', `treinreiziger, iemand die met de trein reist'. Enzovoort. Ik merkte dat ik al lezend en dwalend steeds weer op zoek ging naar iets bijzonders. Een waterdrager was in Indië een `bediende die het huis veegde, olielampen aanstak en vulde, meubeltjes binnen en buiten zette, etc.' Ik sprong op bij het woord meubeltjes – want toen zag ik ineens het hele waterdragertafereel voor me. Er staan te weinig meubeltjes in Van Dale.

Aan de woorden ligt het niet. Die zijn nog steeds goed. Kanariesnoepzaad. Faseoverdrachtskatalysator. Harstoel (dat is een `steen aan een sluis, waarin de sponning voor de achterhar is'). En een zwingelaar is een vlasbraker. Sommige mensen moeten dan aan poëzie denken. Maar in poëzie zingen de woorden zich juist los van hun betekenissen. Wat is loodblauw? Van Dale zegt: `blauw als lood'. Dan weet je nog niet veel meer. Dus mag een dichter het zeggen. Volgt een voorbeeldcitaat van Herman Gorter: `loodblauw als een avondlucht bij windgetij'. Mooi gezegd. Maar het verheldert niets. Wat is windgetij dan weer? In Van Dale zullen we het niet vinden en elders ook niet, want het is een eenmalig woord, van Gorter zelf. Juist als de dichtkunst te hulp wordt geroepen door de woordenboekmakers onttrekt zij zich, geheel naar haar aard. Ik zou haast zeggen: als wind, in een loodblauwe avondlucht, bij windgetij.

Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal. Veertiende, herziene uitgave door drs. Ton den Boon en prof. dr. Dirk Geeraerts. Etymologie door dr. Nicoline van der Sijs. Van Dale Lexicografie. Drie delen (totaal 4.464 blz.) plus cd-rom. Prijs: €179,– (standaardeditie), €219,– (luxe editie).