Vmbo kan uit dal komen

Het bedrijfsleven heeft behoefte aan mensen met een praktische hogere beroepsopleiding en daarom moeten hoger onderwijs en universiteit niet in elkaar geschoven worden, vinden Loek Hermans en Bernard Wientjes. Aan de wieg van het hoger onderwijs staat het vmbo. Wanneer daar het beroepsgerichte onderwijs de ruimte krijgt, kan dit schooltype van zijn negatieve imago afkomen, betogen Marko Otten en Kees van der Wolf.

Het vmbo, voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, wie heeft er niet een oordeel over – en meestal luidt dat negatief. Geen wonder. Er zijn te weinig docenten, veel leerlingen kampen met leer- en gedragsproblemen en een aantal maatschappelijke problemen komt er in verdichte vorm voor.

Veel van de leer- en gedragsproblemen onder jongeren op het vmbo hebben te maken met het ontbreken van een aansprekend perspectief op maatschappelijke deelname. Jongeren zijn actief en betrokken bij de school, wanneer zij het verband zien tussen wat zij leren en wat zij daarmee in de toekomst kunnen gaan doen in de samenleving. Zien zij dat verband niet, dan neemt de motivatie direct af en gaan leerlingen probleemgedrag vertonen. De school wordt dan een tijdverdrijf, waar men al dan niet naar toe kan gaan.

Ook jongeren in achterstandsituaties hebben een gebrek aan perspectief heel goed in de gaten. Dit legt een grote verantwoordelijkheid bij scholen en de samenleving om onderwijs aan te bieden dat perspectief biedt op maatschappelijke integratie en participatie.

Tegenwoordig zien we steeds vaker dat vmbo-scholen dat perspectief wel degelijk kunnen bieden. Scholieren krijgen dan niet alleen vakgericht onderwijs, maar ook praktijkgerichte leeropdrachten waarin verschillende vakken tegelijkertijd aan bod komen. De klassen vormen groepen en de leraar maakt deel uit van een team dat de groep begeleidt. Steeds meer scholen slaan deze weg in, omdat dit een oplossing biedt voor bestaande problemen.

Een voorbeeld. Leerlingen van het Kandinsky college in Nijmegen openden onlangs een winkeltje in het nabijgelegen bejaardencentrum waar bewoners terechtkunnen voor koffie, thee, suiker, koekjes en andere eenvoudige levensbehoeften. Voor de bejaarden is de winkel een uitkomst. Zij hoeven niet meer naar de verder weg gelegen supermarkt. Voor de vmbo-scholieren biedt de winkel een uitgelezen mogelijkheid om zelf te leren en te ervaren wat ervoor nodig is om een winkel te runnen: hoe zet je een boekhouding op, hoe ga je om met klanten, hoe regel je logistieke zaken en waar moet je op letten als je producten inkoopt? Alles bij elkaar een integrale voorbereiding op een toekomst in een `echte' winkel. Inmiddels verlenen de scholieren ook regelmatig hand-en-spandiensten aan bejaarden bij het versturen van e-mails, bezoeken van websites en ander computergebruik. Andere scholieren van het Kandinsky college hebben binnen de muren van de school een bistro opgezet.

Voor dit soort onderwijs zijn naast de traditionele `vakdocenten' ook leerkrachten nodig met een ander profiel. Teamwerkers met brede pedagogische en didactische kwaliteiten die werken vanuit het beroependomein waarop hun leerlingen worden voorbereid. Groepsdocenten die week in week uit kunnen werken met de verschillend samengestelde groepen in het vmbo en mbo (middelbaar beroepsonderwijs). Zij vormen het vaste en vertrouwde gezicht voor hun leerlingen en gaan gemakkelijk om met leerlingen met leer- en gedragsproblemen of met taalproblemen en met multiculturele spanningen in de groep. Deze leraren zijn deels afkomstig uit bedrijven en instellingen waarmee hun school samenwerkt. Of zij hebben zich daar grondig in verdiept door middel van extra stages in het bedrijfsleven.

Uiteraard kan niet iedereen zomaar docent worden. Voordat een bedrijfseconoom met vijftien jaar ervaring in het bedrijfsleven docent bedrijfseconomie kan worden, moet hij geschoold worden als leraar die leert hij hoe hij stimulerende opdrachten kan maken die aansluiten bij het niveau van scholieren. En hij moet leren hoe hij toetsen maakt.

Vanuit het vmbo en mbo klinkt steeds luider de roep om dergelijke groepsdocenten die gespecialiseerd zijn in de sector van het beroepsonderwijs. Zij kunnen scholieren het perspectiefrijke onderwijs bieden waar zij behoefte aan hebben. Bovendien lopen in bedrijven en instellingen veel mensen rond die zich niet als `vakdocent' voor een klas zien staan, maar er wel oren naar hebben om scholieren in nieuwe, praktijkgerichte onderwijsvormen te begeleiden bij hun opleiding. Daarmee biedt dit type leraar in kwantitatieve zin soelaas voor de problemen waarmee de sector geconfronteerd wordt. Het lerarentekort kan drastisch worden beperkt.

Er is dus een manier om het vmbo weer perspectief te bieden. Om het lerarentekort te laten slinken en het aantal gedragsproblemen te beperken. Maar dat lukt niet binnen de huidige wettelijke kaders. De overheid erkent namelijk alleen de op één vak gebaseerde lesbevoegdheid. Lerarenopleidingen mogen de éénvakkige inhoud niet vervangen door die van leergebieden. De breed georiënteerde beroepsdocenten kunnen zij binnen de tijd die ervoor staat niet opleiden. De huidige structuur van onderwijsbevoegdheden past bij gymnasium of atheneum, maar niet bij het vmbo en mbo. De overheid zou er goed aan doen scholen en lerarenopleidingen ruimte te bieden om te experimenteren met een eigen volwaardige tweedegraads lerarenopleiding voor het vmbo en het mbo.

Marko Otten is directeur van Instituut Archimedes, de lerarenopleiding voor vo/bve bij Hogeschool Utrecht. Kees van der Wolf is lector gedragsproblemen in de onderwijspraktijk bij de Faculteit Educatie van Hogeschool Utrecht en emeritus-hoogleraar orthopedagogiek bij de Universiteit van Amsterdam.