Verrotting is je beste vriend

Op 26 oktober wordt schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers tachtig jaar. Ter gelegenheid daarvan las Arnon Grunberg diens oeuvre en ontdekte er wijze levenslessen in.

`God maakt de werkelijkheid, wij scheppen illusies', noteert Jan Wolkers in een essay over Dylan Thomas. Het staat op het einde van het stuk, nogal terloops, een bon-mot waar je gemakkelijk overheen zou kunnen lezen. Zoals Wolkers eigenlijk al zijn essays terloops lijkt te hebben geschreven, enthousiasmerend, gelardeerd met verhaaltjes uit het eigen leven, niet zozeer gericht op een doortimmerde analyse van de dichter, de schilder, de acteur, maar meer reclame – in de beste zin van het woord – voor anderen. Als essayist wil hij vooral behulpzaam zijn, ons zachtjes bij de hand nemen om ons erop te wijzen dat we toch echt nog eens goed moeten kijken, dat we veel te snel zijn doorgelopen en het mooiste hebben gemist.

Nu staan er in zijn essays veel bon-mots. Als je Wolkers wilt citeren moet je zijn essays hebben, en aan die essays zie je meteen ook wat voor een voortreffelijk citeerder hij zelf is. Ook een kunst, goed citeren. Hetzelfde laat zich trouwens aflezen aan de motto's die hij bij zijn romans kiest. Neem deze bij Kort Amerikaans, van Raymond Chandler: `There is no trap so deadly as the trap you set for yourself.' Als je alle citaten waarmee Wolkers zijn essays doorspekt achter elkaar zet heb je een poëtica. Iemand moet het maar eens doen en er een klein boekje van maken.

Gek genoeg kun je uit zijn romans veel moeilijker citeren, navertellen gaat uitstekend, citeren blijft lastig. Wolkers schrijft in zijn romans en verhalen nauwelijks zinnen die op zichzelf kunnen staan, alsof hij het daar onkies vindt de ene alinea voor te trekken en de andere wat verpieterd achter te laten. Maar goed, God maakt de werkelijkheid, wij scheppen illusies. Daarnaast had ik een voor mijn doen nogal groot uitroepteken gezet, wat me bij herlezing verbaasde.

Het is toch evident dat wij illusies scheppen, aan de lopende band zelfs, we kunnen niet anders. De hele dag door, ook als we alleen zijn, vooral als we alleen zijn, onder de douche en op de wc. Al hebben die illusies nu en dan wel enige invloed op de door God geschapen werkelijkheid, ze staan er toch buiten, op het cruciale ogenblik maken ze er geen deel van uit.

Waar kwam dat joekel van een uitroepteken vandaan? Ik las de hele alinea over en werd getroffen door: `Als je met God wilt wedijveren () ben je in de aap gelogeerd.' En een stukje daarvoor: `De waarheid is iets anders dan de werkelijkheid. Iedere kunstenaar heeft de waarheid in zich, van Goya tot Mondriaan.' En even verderop: `Laat de werkelijkheid maar aan God over.'

Dat uitroepteken begreep ik nu beter. Hier werd een levenshouding beschreven die typerend voor Wolkers is.

De werkelijkheid aan God overlaten, dat is goede raad, maar doe het maar eens. In die werkelijkheid moet namelijk eerst nog wel geleefd worden, er moet iets worden opgebouwd alvorens het zelf af te breken, of dat door anderen te laten doen. In de werkelijkheid van God moet je carrière maken, een huis inrichten, een baby maken of juist niet. Je kunt moeilijk alles aan Hem overlaten. De berusting waar het dringende advies van Wolkers onvermijdelijk op uitkomt, is nog niet zo makkelijk.

Het moeten, maar niet kunnen berusten, weten dat je de werkelijkheid over moet laten aan God, maar het toch niet over je hart verkrijgen. Die spagaat, die onhoudbare spagaat, dat is de kern waar het oeuvre van Wolkers zijn spanning aan ontleent. De werkelijkheid is van God, en wat doen wij daar? Meer nog: wat hebben wij daar als puntje bij paaltje komt te zoeken?

In een ander essay schrijft Wolkers: `Gebruik nooit de crème die belooft je rimpels te zullen doen verdwijnen. Het enige kruid dat daartegen gewassen is, is de herinnering. Tot mijn laatste ademtocht zal ik die glanzend-blonde haartjes zien op jullie gebruinde zomerbenen, tussen jullie rokken en wit gebreide sokjes, die toen alle meisjes van zestien droegen en die onvergetelijk aandoenlijk waren.'

Lichtelijk sentimenteel, dat wel, maar het wapen waarmee Gods werkelijkheid kan worden bestreden, is genoemd: de herinnering. Sterker dan crème tegen rimpels, betrouwbaarder dan welke vriendschap of liefdesaffaire. Tot de laatste ademtocht glanzend-blonde haartjes blijven zien.

Probleem is alleen dat die herinnering op lange termijn weinig soelaas biedt. Je kunt er wel even in leven, maar al snel wordt het een zachtaardig uitdoven. Leven in de herinnering betekent sterven in het nu. En dan mag je nog zoveel illusies produceren, die illusies helpen geen moedertjelief. De herinnering smoort alles zachtjes.

In het gestaag voortkabbelend bergbeekje dat de Nederlandse literatuur is, neemt Wolkers een voortreffelijke positie in, voortreffelijk omdat zijn werk niets met voortkabbelen te maken heeft. Het kent hoge pieken en diepe dalen, er wordt ongegeneerd, ja bijna op het panische af in gerecycled. Sommige anekdotes kan men in vier, vijf verschillende boeken in vrijwel identieke vorm terugvinden, alsof bepaalde dingen steeds maar opnieuw moeten worden verteld, als een bezwering, als een gebed inderdaad. Als de herinnering die met alle macht in leven probeert te houden wat God allang tot zich genomen heeft. Weer een glanzend-blond haartje en nog een en nog een. Maar het leeft. Het heeft ergens zijn zinnen op gezet. Of zoals Bert Schierbeek ooit tegen Jan Wolkers zei: `Je gaat vooruit.'

Dat is ook de aantrekkingskracht van dat oeuvre, die weigering voort te kabbelen. Als bij elk omvangrijk oeuvre raad ik niemand aan het integraal achter elkaar te lezen, er bestaat zoiets als een overdosis Wolkers. Maar zelfs met die overdosis in het hoofd kan niet worden ontkend dat er iets wordt uitgevochten in die boeken, en dat ze ook op hun zwakste en vaalste momenten de waarheid in zich hebben. Misschien is dat wel de les van dit oeuvre, voor mij althans, dat de waarheid uiteindelijk zwaarder weegt dan schoonheid. En niet alleen de les, ook de verademing ervan.

Wie wat langer met zijn voeten in het bergbeekje van de literatuur zit, begint in dat kabbelen een ziekte te herkennen. Een ziekte? Dat voortkabbelen is de dood of althans iets wat daar erg op lijkt.

Vervolgens komt er een moment van ruw ontwaken. Was dit de literatuur waar je ooit zo graag bij wilde horen? Wil je hier nog bij horen?

Hier helpt ook geen herinnering meer, geen zacht-blond haartje dat boven komt drijven als de werkelijkheid van God weer eens ondraaglijk is. De hel kabbelt voort, en de herinnering maakt er deel van uit. Hoe je ook zoekt in je geheugen, je weet niet meer wat je ooit in haar gezien hebt.

Over deze ontnuchtering heeft Hans Goedkoop in zijn boek Een verhaal dat het leven moet veranderen een paar belangrijke dingen te zeggen. Goedkoop stelt vast dat onze literatuur dolgelukkig is met haar eigen marginaliteit, verliefd is op de eigen onbeduidendheid, en dat zij zich dus van het leven heeft afgewend, zich eigenlijk van alles heeft afgewend. Zij doet precies wat Wolkers adviseerde, maar wel erg letterlijk, met wel heel veel graagte, zij laat de werkelijkheid aan God over. Zij wil er alleen nog maar uit vluchten, zij capituleert voor de Schepper.

De gevolgen zijn weinig verrassend. De vlucht eindigt in het niets, in een illusie en zelfs dat niet eens. Wat deze literatuur voortbrengt `werpt over het heden een sluier', zoals Milan Kundera dat noemde.

Een knekelhuis is deze literatuur. Als je de ziekte eenmaal hebt gediagnosticeerd kun je twee dingen doen: doorgaan met het scheppen van as. Of ermee ophouden. En gaan leven, zoals Hans Goedkoop aanbeveelt. Al zou ik zelf niet weten hoe dat precies moet. En waarom het eigenlijk zo nodig moet. Is leven niet voor de knechten?

Leven dus. Daarover heeft Wolkers het een en ander te zeggen. Over hoe dat moet, over hoe dat het beste kan, in die werkelijkheid die niet van jou is en nooit van jou zal worden.

In Turks Fruit staat: `Jullie leefden beestachtig gelukkig, en daar is gewoon een eind aan gekomen.' En in een essay lezen we: `Wie voor verrotting vreest is een vijand van het leven.' Om twee regels verder te worden gevolgd door een citaat van Edgar Allan Poe, een van Wolkers' helden: `The death of a beautiful woman is, unquestionable, the most poetical topic in the world.'

Daarmee zijn we midden in de romantiek beland. Het wapen waarmee we ons God van het lijf houden in Zijn werkelijkheid is niet alleen de herinnering, maar de omkering van alle waarden en normen waar vooral de romankunst in uitblinkt.

Dat beestachtig geluk gaat voorbij, zo zegt de romankunst, sterker nog, dat is al voorbij. Maar vrees de verrotting niet, dan kun je je beter meteen opsluiten in het knekelhuis. Die verrotting is je beste vriend, misschien wel je enige. En als je dat aanvaardt, zie je de schoonheid, zelfs van de dood, die Wolkers zelf met graagte en telkens opnieuw beschrijft, zonder daarmee overigens die dood minder wreed, minder pijnlijk, minder gruwelijk voor te stellen dan hij is. De schoonheid zit in de pijn.

En precies daar vindt Wolkers leven, opgetogen, gelukkig zelfs, heel even, dat hij weer eens ooggetuige van de verrotting mocht zijn.

Of Hans Goedkoop dat met leven bedoelde valt te bezien. Leven is in zijn boek ook een voorwaarde om weer te kunnen lezen. Eerst leven dan pas lezen, anders weet je niet wat je leest, en zul je nooit een boek toelaten dat je leven gaat veranderen.

Met alleen lezen red je het niet. Dan word je zelf een beetje knekelhuis. Erudiet maar plantaardig. Om te kunnen lezen moet je leven. En om het boek te schrijven dat het leven van de lezer verandert moet je zelf ook leven.

Op dat punt haakte ik af.

Een boek verandert je leven niet. Kom nou. Dat moet dat boek zelfs niet willen. De mens is namelijk onveranderlijk. Niet wat hij is houdt hem gevangen, maar wat hij niet zou willen zijn, en toch steeds weer blijkt te zijn. Daar helpen geen pillen, geen psychiaters, geen baby's, geen emigratie, en al helemaal geen romans aan. Hij botst telkens tegen hetzelfde aan. Namelijk zijn onmacht, de grenzen van zijn macht om zijn wil aan de werkelijkheid van God en zijn eigen leven op te leggen.

Maar zo simpel bleek het bij nader inzien toch niet te liggen. Als ik bijvoorbeeld naar mijn eigen leven keek, moest ik toegeven dat ik niet helemaal dezelfde was gebleven. Iets van buitenaf had invloed op mij uitgeoefend, anders had ik nooit de kracht gehad de weg die mijn ouders en leraren voor mij hadden uitgestippeld te verlaten.

En dat iets waren nu net boeken geweest.

Ik kende op mijn vijftiende stukken Henry Miller uit mijn hoofd. (`We zijn hier heel alleen en we zijn dood. Gisteren kwam Boris tot de ontdekking dat hij dik onder de luis zat. Ik moest zijn oksels kaal scheren, en zelfs toen hield het jeuken niet op.') Ik meende om onverklaarbare redenen dat het liefdesleven van Kafka navolging verdiende. In de kamer van mijn zus vond ik een exemplaar van Kort Amerikaans elke roman een gebruiksaanwijzing voor het leven en ik ontdekte dat men goed met een gipsen beeld kan vrijen, wat als bijkomend voordeel heeft dat het gipsen beeld geen opmerkingen kan maken die afbreuk doen aan je eigenwaarde.

De roman als gebruiksaanwijzing voor het leven nam ik serieus, wat heet, en nog steeds kijk ik naar mijn boekenkast als ik weer eens een legitimatie voor mijn leven zoek.

Goed, er waren dus boeken die je leven veranderden, maar of we daar nou zo vreselijk blij mee moesten zijn, dat wist ik zo net nog niet. Bijna alle grote romans bijvoorbeeld, niet alleen die van Wolkers, gaan over de liefde, maar wel over een bepaald soort liefde: de ongelukkige. Hoe ongelukkiger de liefde hoe groter de literatuur, zo leek het. En was ik nu zelf gelukkiger geworden van het opvolgen van al die gebruiksaanwijzingen samen die, hoe verschillend ze ook waren, toch in een bepaalde richting wezen?

Bedankt voor het informeren, maar het houdt niet over. En om nou te zeggen dat er een stijgende lijn in zit, nee niet echt. Zeker, economisch gezien gaat alles wel, mijn accountant is gelukkig, nu ik nog.

Waar zou je in deze tijd anders naar moeten streven dan naar geluk? Het schrijven van de volmaakte roman, tsja, dan kun je ook meteen in een klooster gaan zitten. En mag je niet ook gelukkig worden van literatuur? Het klinkt blasfemisch, maar wat is er eigenlijk op tegen? Niet storen, ik lees mij een weg naar mijn eigen geluk.

Er is niets op tegen, maar zo werkt het vrees ik niet. De roman is de blijde boodschap niet en zelfs die maakt niet altijd iedereen even gelukkig. De wereld van de roman is nu eenmaal niet zo'n gelukkige, waarmee niet gezegd is dat de wereld van de romanschrijver ook geen gelukkige mag zijn. De roman staat haaks op de utopie, hij hangt aan de menselijke onmacht en hij onderzoekt wat het betekent mens te zijn, als het iets te betekenen heeft.

Kijk naar Wolkers, wat zijn boeken duidelijk maken is wel dat de roman begint waar het beestachtig geluk van de hoofdpersonages ophoudt.

Hans Goedkoop neemt zonder al te veel aarzeling aan dat elke verandering die een verhaal teweegbrengt een positieve zal zijn.

Maar ik sluit niet uit dat ik eerst verleid en vervolgens misleid ben door een stel valse profeten. Want zijn we hier heel alleen en zijn we dood?

Misschien las ik de verkeerde boeken, of trok ik de verkeerde conclusies. Hoe dan ook, een boek dat je leven verandert is een gevaarlijk boek. Valse profeten die die naam verdienen zijn gevaarlijk. Maar ze zijn waarschijnlijk ook noodzakelijk om een illusie te bieden die meer is dan een vlucht in het niets, een illusie die een voorstelling biedt van beestachtig geluk, hoe verrot inmiddels ook, waarin geloofd kan worden. Een illusie waarin, tijdelijk, gewoond kan worden.

Zoals een ware valse profeet betaamt heeft Jan Wolkers de sluier van Gods werkelijkheid gerukt, hardhandig, boos, maar ook liefdevol, en met een voor mij vreemd bijna hardhandig geloof in schoonheid. Van de natuur, van andere schrijvers en dichters, van vrouwen, van seksualiteit, als gezegd ook van de dood.

De gedachte dat, nu wij zo gewend zijn geraakt aan grote lullen die in sappige kutjes glijden, het werk van Wolkers ons niet veel meer te zeggen heeft, blijkt bij herlezing van dat werk onzinnig te zijn. Voor rooie oortjes hebben we Wolkers niet nodig. Alsof hij geschreven heeft om ons op te geilen.

De ware hoofdpersoon in vrijwel al zijn romans en verhalen blijft het noodlot dat uiteraard een ander woord is voor die werkelijkheid waarin wij niet thuishoren en niet thuis kunnen horen.

Als een schaduw strekt het noodlot zich over alle personages en zelfs bijfiguren uit. Het is de beproeving die de mensen in zijn boeken krijgen opgelegd die de echte held van het verhaal is, al was het maar omdat de beproeving steeds weer sterker is dan de mensen.

Een broer sterft, een kat en een moeder sterven tegelijkertijd, een kindje sterft in te heet water, een goede vriend is dodelijk ziek en reist als een waanzinnige door Amerika, een vriendin geeft de voorkeur aan een zakenman, een andere vriendin geeft de voorkeur aan een beroepsmilitair. Maar vrijwel nooit kun je zeggen dat de hoofpersoon het er naar gemaakt, het aan zichzelf te wijten heeft, in de val getrapt is die hij voor zichzelf heeft uitgezet. Het psychologische drama van een hoofdpersonage dat begrijpt dat het geen andere vijand heeft dan zichzelf, dat het zelf de regisseur is van zijn ongeluk, daarom het is Wolkers nooit te doen. Zelfs in een roman als Gifsla, waarin een niet meer zo jeugdige schrijver van detectives zich rond oud en nieuw whisky drinkend en te veel etend naar zijn einde sleept, gaat het niet om schuld en boete. Het noodlot komt altijd van buitenaf. Zonder reden. Zonder verontschuldiging en zonder dat het ergens goed voor is.

Blind dwalen wij over deze wereld, oorzaak noch gevolg kennend, en vooral, wat zijn wij slecht voorbereid als dat noodlot eenmaal toeslaat. We hadden het kunnen weten en toch zijn we telkens weer onwetend en verbaasd. Onbeschermd, vooral dat.

De wreedheid ligt eerder in de loop der dingen, in de samenloop der omstandigheden, in de natuur dan in de aberraties van een bepaald individu. Als Liesje in De walgvogel niet bij de verteller blijft maar een militair uitkiest valt haar dat nauwelijks aan te rekenen, zij werd gestuurd, zij kon niet anders. Zij gaat vrijuit.

Een afrekening met het geloof van Wolkers' voorvaderen kan ik in dit oeuvre niet zien. Eerder lijkt het me een seculiere voortzetting ervan. Zonder logische God die de schijn van rechtvaardigheid hooghoudt. Het is er nog onherbergzamer dan in de bijbel. Men kan zich niet met het noodlot verzoenen omdat het een reden zou hebben, een doel zou dienen. Men kan zich er alleen nog mee verzoenen omdat het sterker is.

En troost, Jezus dus, blijkt keer op keer het vermogen schoonheid te zien. De ervaring – die bij Wolkers altijd de fysieke ervaring is – verzoent je met het leven en het noodlot dat altijd sterker, onbegrijpelijker zal zijn dan jij. De ervaring die je leert dat ook verrotting mooi kan zijn.

Daar zitten wel wat haken en ogen aan. De dood van een mooie vrouw mag pure poëzie zijn, voor de nabestaanden ziet dat er anders uit. Verlies is geen poëzie en zelfs als je dat er van kunt maken blijft het verlies.

Niet het denken, geen abstracte theorieën over je eigen leven kunnen voor verlichting zorgen, maar iets als overgave aan het leven, aan de gebeurtenis, aan het nu. Aan het doen.

Wat dat betreft roept het oeuvre van Wolkers hetzelfde als Hans Goedkoop. Ga naar buiten. Verlaat je studeerkamer. De beproeving zal je overal vinden, ook onder je bureau. En als je daar te lang blijft heb je iets wezenlijks gemist.

Op de vraag die Wolkers hardnekkig blijft stellen, hoe je omgaat met verlies waarom je niet gevraagd hebt en waarvoor je niet verantwoordelijk kunt worden gesteld, geeft hij een oudtestamentisch antwoord. Met behulp van rituelen. Geloven helpt niet, want geloven is denken en dat zet geen zoden aan de dijk.

Je moet iets doen. Dus als je gaat verhuizen graaf je de as van je kat op uit de tuin, zoals in De junival: `Het eerste waar ik aan dacht toen ik ging verhuizen, was dat de vijgeboom uit de tuin mee moest met een zo grote kluit dat ik er zeker van kon zijn dat er geen as en gebeente van Voske achterbleef.'

Er mag niets achterblijven. Niets, de herinnering kleeft aan alles en moet ten koste van veel levend worden gehouden. Met ons sterven veel anderen aan wie, als wij er niet meer zijn, niemand zal denken.

Zoals Wolkers schrijft in zijn essay Een veelluik van stemmen: `De hele wereld is één erogene zone, nee het hele universum. Ja, in dat universum zou ik ook wel de as van een katje opgraven.'

Al blijft die opvatting van Wolkers haaks staan op de mijne, zo erogeen is mijn universum niet, zijn woorden maken duidelijk wat er te winnen valt als je die opvatting overneemt.

Pas als je daarin gelooft kun je schrijven: `Ik heb wel een honderdtal vrouwen gedegen aan de tand gevoeld over wat zij waarnamen tijdens de coïtus en het orgasme. Bijna zonder uitzondering zagen zij geometrische figuren die voorbijflitsten of uit het onbestemde opdoemden.'

Het werk van Wolkers heeft met al zijn heftigheid en woede ook iets onschuldigs. Honderd vrouwen gedegen aan de tand voelen over de coïtus, als dat niet onschuldig is. En het geluk, dat weten we nu ook voor eens en voor altijd, is een geometrische figuur.

Elk oeuvre kent een hoogtepunt. Ik zou willen dat mijn keuze origineler en gewaagder was, maar de parel in het werk van Wolkers blijft Turks fruit. Niets heeft dat boek aan kracht verloren. Vele andere klassieke romans uit de Nederlandse literatuur verbleken erbij als maakwerkjes uit het knekelhuis.

Daar, in die roman, wordt pas goed duidelijk wat je zegt als je zegt `ik heb verloren.'

Daar zet zich de betekenis van verlies in je hoofd vast, zodat de lezer zelf even weet wat hij heeft verloren. Dit boek maakt duidelijk waarom je het leven toch niet kunt overlaten aan de knechten, en als je dat eenmaal beseft, helpt de ironie ook niet meer. Omdat je het beestachtig geluk misloopt en alles wat daarop volgt. Pijn is geen bijwerking van de liefde, pijn is de liefde.

De kreet van Olga's vriendin in Turks fruit die in de Arabische Golf in het trappenhuis schrijft: `Fuck me I'm desperate', verbindt zich met de tekst uit de psalmen die de broer in Terug naar Oegstgeest op zijn sterfbed zegt: `Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel naar u, o God.'

Alsof het een tekst is uit de bijbel staat in gouden letters boven de poort die naar het oeuvre van Wolkers leidt geschreven: `Fuck me I'm desperate.'

Ter gelegenheid van Jan Wolkers tachtigste verjaardag verschijnen bij uitgeverij Meulenhoff gebonden heruitgaven van `Turks Fruit, Terug naar Oegstgeest 'en `Een roos van vlees' (12,15 euro), een nieuwe editie van `Alle verhalen' (15 euro) en een in linnen gebonden feesteditie van `Het Vroege Werk '(19,25 euro).