Verengelsing van Nederland is bepaald niet erg

Alle klaagzangen over de teloorgang van het Nederlands als wetenschaps- en cultuurtaal ten spijt, er is geen alternatief: de wetenschappelijke concurrentie zal in het Engels moeten worden aangegaan, betoogt Dick Pels.

Het pleidooi van Douwe Draaisma voor behoud van het Nederlands als wetenschaps- en cultuurtaal (Opinie, 18 oktober) heeft nostalgische trekjes en geeft blijk van een overleefd humanistisch cultuurideaal. De voortschrijdende verengelsing ziet hij vooral als een verschraling. Het Nederlands, én het Frans en Duits, worden in de universitaire outputmetingen ten onrechte verwaarloosd en ondergewaardeerd. Daardoor verdwijnt de bevoorrechte positie van Nederlanders, die door hun toegang tot meerdere talen kunnen schakelen en bemiddelen tussen verschillende intellectuele tradities. In plaats van werelden te openen, sluit de anglisering juist werelden af. De internationalisering is daarom niet een boost maar een bedreiging voor werkelijk kosmopolitisme.

In deze taalstrijd beschouwt Draaisma mij ten onrechte als een medesoldaat. Hij verwijst naar de discussie die enige tijd geleden werd gevoerd in het sociaal-wetenschappelijk magazine Facta. Maar mijn aftrap voor dat debat bevatte juist een kritiek op het door Draaisma omarmde KNAW-rapport Nederlands, tenzij. Dat maakte zich vooral sterk voor een herwaardering van het Nederlands als wetenschapstaal, terwijl mijn stelling luidde dat het Nederlands in die capaciteit weinig toekomst meer had. Daarom bepleitte ik een sterkere scheiding tussen publiceren in het Engels voor een internationaal en collegiaal academisch publiek en schrijven in de landstaal voor een breder lekenpubliek van cultureel en politiek geïnteresseerden.

Dit `tweetaligheidsbeleid' vergt enerzijds een grotere investering in Engelse spreek- en schrijfvaardigheid, om de bijna-perfectie te bereiken die nodig is om werkelijk te kunnen meekomen op het hoogste niveau. Publiceren in internationale Engelstalige organen is niet de enige, maar wel een zeer belangrijke garantie voor werkelijke kwaliteit. Nederlandstalige wetenschappelijke tijdschriften zijn te laagdrempelig, te weinig ambitieus en te weinig zichtbaar. Er is geen alternatief: de wetenschappelijke concurrentie zullen we in het Engels moeten aangaan.

Anderzijds moet worden gewaakt voor een verschraling van het Nederlandstalige publieke debat. In dit opzicht ben ik het met Draaisma eens: het huidige internationaliseringsbeleid vormt een bedreiging voor het Nederlands als algemene cultuurtaal. Maar dat is niet de schuld van het Engels. Het is eerder de schuld van een praktijk van tellen en meten die door zijn exclusieve nadruk op publiceren in Engelstalige refereed journals steeds meer barrières opwerpt voor de deelname van academische intellectuelen aan het publieke debat. Met een Nederlandstalig boek zijn tegenwoordig geen punten meer te verdienen, laat staan met een essay in De Gids of met een opiniestuk in de krant.

Draaisma vreest terecht dat een dergelijke tweedeling (Engels voor collega's en Nederlands voor leken) kan leiden tot funeste statusverschillen. Maar die kunnen worden vereffend door scherper te opponeren tegen de dominantie van Angelsaksische `natuurwetenschappelijke' publicatienormen in de wetenschap, zoals die in Nederland vooral via de circuits van NWO en VSNU worden opgelegd. Popularisering (eigenlijk een verkeerde term) is geen tweederangs activiteit. De Nederlandstalige publicistiek moet in de outputmetingen als een op zichzelf staand genre worden erkend, gewaardeerd en gestimuleerd.

Er wordt, met andere woorden, te weinig onderscheid gemaakt tussen het Engels als universeel communicatiemedium en de dominantie van Amerikaans-Britse maatstaven, stijlen en paradigma's in de wetenschap en de bredere cultuur. Een kritische adoptie van het Engels (Euro-Engels) kan heel goed samengaan met verzet tegen deze culturele overheersing. In plaats van onszelf op te sluiten in een regressief taalsentimentalisme, kunnen we beter een meer zakelijke opvatting hanteren die taal en cultuur niet zo sterk vereenzelvigt, en die meer oog heeft voor de unieke kansen die het Engels ook als `verzetstaal' te bieden heeft.

Het zogenaamde `voorrecht' om te kunnen schakelen tussen verschillende talen en culturen heeft Nederland immers tot een culturele stapelmarkt gemaakt, die eerder bekendstaat om zijn import en doorvoer dan om zijn bloeiende eigen creativiteit. Laten we onze ambities hoger stellen. Een werkelijk innovatieve kennismaatschappij is geen mainport maar een creatief laboratorium waarin het autochtone vernuft zich op voet van gelijkheid meet met het beste dat elders wordt geproduceerd.

Het streven naar een verdere verengelsing van Nederland dient daarom zowel onze nationale traditie als onze nationale emancipatie. Een perfecte tweetaligheid past bij ons spreekwoordelijke kosmopolitisme en dito openheid voor het vreemde, maar is ook de enige manier om het linguïstisch imperialisme en de culturele overheersing van de Angelsaksen te keren. If you can't beat them, join them. In het Engels.

Dick Pels is socioloog en publicist.

www.nrc.nl/opinie:

Artikel Douwe Draaisma