Van der Louw

In september 1991 ging ik op bezoek bij André van der Louw. Hij woonde toen nog in Prinsenland, een stuk polder naast Rotterdam waar hij een fraai huis had, in de verte zichtbaar vanaf de drukke Kralingseweg. Drie maanden lang had hij geaarzeld over het interview dat ik hem voor NRC Handelsblad wilde afnemen, toen belde hij opeens op: ,,Kom morgen maar''.

Hij bleek de man die ik me zo'n beetje had voorgesteld, joviaal, gastvrij en redelijk openhartig. Hij had jarenlang geen interviews willen geven omdat hij ,,het effect van de stuurman aan de wal wilde voorkomen''.

Maar hij had er nu genoeg van, er móést wat gebeuren, want zijn partij, de PvdA, was in een proces beland ,,waarbij iedereen verlamd lijkt te raken''. Hij speculeerde over de mogelijkheid de PvdA te laten opgaan in een brede, progressieve partij onder ,,een nieuwe politieke leiding''. Hij bedoelde: zonder Wim Kok, een politiek leider met wie hij weinig affiniteit had.

Achteraf kun je vaststellen dat Van der Louw destijds in zijn partij te weinig krediet heeft gekregen. Hij werd met veel scepsis aangehoord en kreeg later, vanuit de partijtop, onbewezen verdachtmakingen over een `couppoging' over zich heen. Kok weigerde die verdachtmakingen te weerspreken, wat Van der Louw zeer gegriefd heeft. Als hij op een coup was uitgeweest, zou hij in dat interview niet zo openhartig zijn geweest, denk ik nu.

Van der Louw lijkt als politicus onderschat. Hij stond bekend als een doener, geen denker. Ook postuum moeten we geen visionair van hem maken, maar hij was wel degelijk iemand met visie en, vooral, intuïtie. In die beginjaren negentig voelde hij als een van de weinigen aan dat de PvdA bezig was zich te vervreemden van haar electoraat.

In dat interview in 1991 pleitte hij al voor een zorgvuldiger naleving van het geformuleerde vreemdelingenbeleid. Hij zag anders ,,de mensen in de kansarme buurten de dupe worden'' en ,,het keert zich ook tegen de vreemdelingen zelf''.

In zijn boek De Rode Hoed en andere verhalen uit 1991 waarschuwt hij voor ,,de desertie van de kiezers, het weglopen van tienduizenden leden, de demotivatie en afnemende innerlijke overtuiging bij de achterblijvers''. Op een dag in 1991 ziet hij als tv-kijker Wim Kok en fractievoorzitter Thijs Wöltgens op werkbezoek in Spangen, Rotterdam. Hij schrijft dan: ,,Thijs wandelt eenzaam door de kale straat. Kleine groepjes buitenlanders lopen voorbij. Ze zullen hem waarschijnlijk niet kennen. De Nederlanders kennen hem misschien wel maar spreken niet met hem. Ze praten wel voor de NOS-camera's. Vroeger zijn ze links geweest, zeggen ze, maar ze stemmen niet meer op de PvdA. ,,Die doen toch niets meer voor ons.'' Ze stemmen nu op een andere partij. Ja, die! Ze trekken er een gezicht bij of ze zelf ook wel weten dat het niet deugt...''

Op mijn interview met hem kreeg Van der Louw ook een reactie `op fraai papier' van ,,Fortuyn BV, adviseurs in politiek-strategische vraagstukken''. Jawel, Pim Fortuyn stelt hem voor samen de hele verzorgingsstaat opnieuw in te richten. Van der Louw ziet in hem ,,een interessante sparring partner'' maar hij houdt hem toch af, omdat ,,het woord solidariteit'' bij Fortuyn niet voorkomt.

Ook dát was goed gezien.