Twee levens, een berendans en veel verdriet

Thuis was de kleur rood. De kleur van de linkervleugel van de PvdA en de VARA. Vader werkte bij de Haagse melkfabriek De Sierkan en was een actief en onverzettelijk lid van de transportarbeidersbond. Hij was van harte een kleine man die, zoals zoon André later met een glimlach vertelde, een heel scherp oog voor de klassevijand had en dus de vriendschap met de schoonouders van zijn dochter direct beëindigde toen hij bij hen thuis het programmablad TROS-Kompas op tafel zag liggen.

De eerste helft van het leven van de gisteren overleden Arie Andries (André) van der Louw zou dan ook in het teken van linkse radicaliteit en opstandigheid staan. Na de mulo, een voorloper van de mavo/havo, en zijn politieke scholing bij de AJC, de socialistische jongerenbeweging, trad hij bij de gemeente Den Haag in dienst (1950-1957). Eerst bij het Instituut voor Volksontwikkeling, daarna bij de Dienst sociale belangen. Volksontwikkeling en sociale belangen, hij zou er zijn kompasnaald altijd op blijven richten. En op ,,kommunikaatsie'', zoals dat even later, in de jaren zestig, in het aanstormende Nieuw Links in de PvdA zou gaan heten. Wat dat betreft zat hij, redacteur en mede-oprichter van jongerentijdschriften als Twen (later Taboe), Hitweek en Aloha, uitstekend op zijn plek bij de VARA, waar hij negen jaar redacteur van de VARA-gids en vijf jaar perschef was (1957-1971). Het kind van die rode melkboer was al aardig gevorderd.

Nederland was na twintig jaar naoorlogse restauratie snel aan het veranderen en de PvdA ook. De opbouwperiode-Drees met haar armelijk-zuinige rooms-rode coalities was voorbij, er viel weer wat te verdelen. En daarover viel weer wat te strijden. De Nacht van Schmelzer, waarin, oktober 1966, het centrumlinkse kabinet-Cals was gevallen, had de verhouding tussen de PvdA en de KVP (toen nog 50 zetels in de Tweede Kamer) op scherp gezet. In de PvdA stond bovendien een generatiewisseling voor de deur, die zich aandiende als Nieuw Links. In het algemeen bestond die beweging uit jonge intellectuele socialisten die vrij naar Van Kooten en De Bie de doelstelling ,,alle oude lullen moeten weg'' met elkaar gemeen hadden.

Wonderlijk genoeg erkenden zij de grote, volkse, stevig besnorde, pijprokende bijna-autodidact Van der Louw, inmiddels lid van het PvdA-bestuur, allemaal als hun voorman. Zijn ,,berendans'' (1969) voor de tv-camera's, nadat het de bekwaam complotterende Nieuw Linksers was gelukt om een meerderheid in het partijbestuur te krijgen, maakte hem landelijk bekend. En hier en daar ook wel gevreesd en/of gehaat, bijvoorbeeld in de rechtervleugel van de PvdA, waarvan velen, ouderen vooral, naar de verontwaardigde afsplitsing DS'70 zouden afzwaaien. In 1971 werd hij partijvoorzitter, inmiddels had Joop den Uyl als partijleider hem leren waarderen als een man die weliswaar soms grote woorden sprak maar ook de kwaliteit en het instinct had om de heftig bewegende PvdA en haar botsende generaties bijeen te houden. Want, daar kwamen steeds meer geestverwanten en tegenstanders achter, Van der Louw mocht dan naar uiterlijk en gedrag soms een woeste revolutionair lijken, in feite was hij een man met een ouderwetse sociale inslag. De hang naar vriendschappen en onderlinge solidariteit binnen zijn partij en vriendenkring zou hem trouwens in de tweede helft van zijn leven nog zuur opbreken.

Die tweede helft begint in 1974, wanneer de inmiddels premier geworden Den Uyl tegen de zin van zijn coalitiepartners KVP en ARP, en zeer tegen de zin van het Rotterdamse bedrijfsleven, Van der Louws benoeming tot burgemeester van de Maasstad doordrukt. Den Uyl had dat goed gezien; na enkele eerste missers, zoals het deelnemen aan een betoging in de haven, wordt dat burgemeesterschap een succes, zowel bij de havenbaronnen als de bevolking, die hem op handen draagt. Wat betekent dat de zoon van die Sierkan-man dan ook steeds meer profiel krijgt als een mogelijke opvolger van Den Uyl. Hij geeft er intussen blijk van anders, positiever, te zijn gaan denken over de politie dan in zijn Nieuw Linkse jaren. En hij zorgt voor een schok in de linkervleugel van de PvdA met een als ,,rechts'' aangemerkt plan om werkloze jongeren in ruil voor hun uitkering een soort sociale dienstplicht te laten vervullen. In 1981 weten Den Uyl en andere partijvrienden hem ervan te overtuigen Rotterdam te verlaten en minister (van CRM) in het tweede kabinet-Van Agt te worden. Daarbij is hun argument van belang dat Van der Louw te zijner tijd het beste als minister een gooi naar de opvolging van Den Uyl kan doen. Acht maanden later al valt het kabinet, de uitgetreden PvdA-ministers vragen Den Uyl zich op zijn vertrek te beraden en vragen Van der Louw inderdaad als zijn opvolger. Maar wat blijkt? Het PvdA-bestuur vindt hem inmiddels te rechts geworden en Den Uyl doet na enig nadenken wat iedereen al had vermoed: aanblijven als politiek leider. En wachten, tot 1986, op de komst van Wim Kok als opvolger. Bitter is Van der Louws terugblik in Vrij Nederland op die episode: ,,Naarmate mijn populariteit bij de gewone man steeg, daalde ik in de pikorde in de partij.''

Een teleurgestelde Van der Louw leidt daarna als politicus een, zoals hij het zelf noemt, ,,ongewis leven''. Hij wordt in 1983 voorzitter van de Rijnmondraad (tot 1986), een lichaam dat provincie moet worden en waar hij dan commissaris van de koningin zou worden. Maar helaas, mede wegens verzet van Rotterdam, waar zijn partijgenoot en vroegere vriend Bram Peper burgemeester is geworden, gaat dat plan niet door. Hij wordt voorzitter van het sectiebestuur betaald voetbal, dat een paar jaar later wegens fraude van enige leden moet aftreden (1989).

Ook de herkansing die in 1994 volgt, het voorzitterschap van de NOS (tot 1997), loopt uit op een teleurstelling. De nu alweer lang vergeten oprichting van Sport 7 (het voetbal weg bij de NOS en in plaats daarvan tegen betaling achter de decoder) ziet hij als een aanval van het betaalde voetbal en het bedrijfsleven op de NOS en het publiek. En zijn plan om de samenwerkende publieke omroepen en Endemol samen het gevecht met de commerciële omroepen te laten voeren leidt schipbreuk wanneer Veronica op de valreep toch tot samenwerking met de commerciëlen besluit. In beide gevallen voelt Van der Louw zich verraden als hoeder van de belangen van het publiek, als pleitbezorger van volksopvoeding, zo men wil.

De laatste klap komt in 1991 wanneer Van der Louw en enkele vroegere Nieuw Linkse medestanders bezwaar maken tegen het akkoord van vice-premier en partijleider Wim Kok met een verlaging van de WAO-uitkering. Op een partijcongres stelt Kok de machtsvraag en typeert Van der Louw c.s. als een soortement antipartijgroep. Kok wint.

Uiteindelijk dus zo'n beetje in de hoek gezet als antipartijman. De tweede helft van Van der Louws leven bracht van alles, niet in de laatste plaats verdriet. Maar ja, om haar vriendschappen is de rode familie dan ook nooit beroemd geworden.