Terug naar het woud van weleer

Schaduwkind (2003) vormt in het kleine oeuvre van P.F. Thomése een uitzondering. Thomése heeft zich altijd doen kennen als een man van de literaire `vorm', een tegenstander van autobiografische ontboezemingen; een roman of verhaal moest het van de tekst hebben en niet van de interessante details uit het leven van de schrijver. Daarvan is dan ook niet veel te bespeuren in de historische verhalen van zijn debuut Zuidland (1990), in zijn beide novellen Haagse liefde & De vieze engel (1996) of in zijn historische roman Het zesde bedrijf (1999). Ironie regeert in dit schitterend geschreven tragikomische proza, soms aangelengd met enige delen cynisme en leedvermaak.

Maar dan overkomt je iets afgrijselijks: je dochtertje sterft. Is daar een literair antwoord op mogelijk? Niet of nauwelijks met het credo van Thomése. Maar wat is zo'n credo waard als het geen raad weet met misschien wel de meest ingrijpende gebeurtenis in je leven? Wat heeft literatuur dan nog te betekenen? Uit dit soort overwegingen moet Schaduwkind zijn ontstaan, Thoméses indrukwekkende poging om hoe dan ook een `vorm' te vinden voor de ramp die hem en zijn vrouw had getroffen.

Zijn nieuwe boek Izak, dat het midden houdt tussen een novelle en een roman, is volgens de omslagtekst voortgekomen uit Schaduwkind, en wel uit het hoofdstukje `Casa del boso', waarin de schrijver terugkeert naar de bossen van zijn jeugd om daar, in de natuur en tussen de dieren, zichzelf te verliezen teneinde zich weer terug te vinden. `Ik moest weer leren spreken en ik kon het beste maar met de dieren beginnen', lezen we in de laatste regel.

Izak gaat niet over dieren, maar over een Ambonees jongetje op Java tijdens de Tweede Wereldoorlog, dat te midden van oerwoud en oorlogsgeweld op zoek gaat naar de piano van `njonja Alma', die door de Japanners is ingepikt. `Een waargebeurde geschiedenis die de gedaante aanneemt van een Ambonees sprookje', staat op het omslag. Misschien betreft het wel de geschiedenis van de grootvader van Thoméses zoon Frederik aan wie het boek is opgedragen en die in deze opdracht `tjutju Maluku' (kleinzoon van de Molukken) wordt genoemd.

Hoe het ook zij, dit alles lijkt iets heel anders dan wat we in het hoofdstukje uit Schaduwkind zijn tegengekomen, maar de overeenkomst zit hierin dat ook de kleine Izak zich min of meer verliest in de natuur en in wat hij onderweg meemaakt, terwijl hij zich eveneens wil terugvinden, en wel als pianist en als ideale zoon van deze njonja (mevrouw) Alma, over wie we niet veel meer te weten komen dan dat zij Izak, volgens haar begiftigd met `pianohanden', heeft beloofd piano te leren spelen.

Voor zijn eigen moeder brengt Izak geen affectie op, zijn vader zit als KNIL-militair in de bergen of is allang door de Japanners als krijgsgevangene (`slaaf') afgevoerd. Het arme kereltje staat er dus helemaal alleen voor. Wat hem overeind houdt is de sleutel die hij van njonja Alma heeft gekregen (al weet hij niet precies waar die op past) en de `opdracht' die hij zichzelf heeft aangepraat, namelijk om over haar piano te waken.

Zo begint Izaks wonderlijke queeste, die hem in aanraking brengt met een troep gamelan-muzikanten, met een Ambonese `prins' en diens dochter en met een trein die hem naar `Krokodillenstad' (Soerabaja) brengt, waar hij wordt opgevangen door een Chinese muziekleraar, die ervoor zorgt dat hij op een boot naar Holland terechtkomt.

Slaagt Izak er tenslotte in zichzelf terug te vinden? In een `naschrift' lezen we dat hij in Nederland `leraar maatschappijleer' is geworden, maar of hij ook piano heeft leren spelen, blijft onvermeld. Belangrijker lijkt me de vraag of P.F. Thomése zichzelf heeft teruggevonden. Heeft hij weer `leren spreken' na de catastrofe? En zo ja, hoe? Het antwoord zou te vinden moeten zijn in Izak.

Opvallend is in elk geval dat Thomése een heel andere toon aanslaat dan in zijn vroegere werk. Van ironie, cynisme of leedvermaak is geen spoor meer te bekennen. Zelfs iedere distantie lijkt te ontbreken; de schrijver heeft zich ogenschijnlijk volledig geïdentificeerd met het kleine mannetje in de jungle. Het hele verhaal wordt vanuit zíjn perspectief verteld, met alle naïviteit vandien, inclusief kinderlijke uitroepen als `jongen!', `bwamm' en `tjoeke-tjoeke'. De oude Thomése laat hooguit een enkele keer (en dan nog zeer bescheiden) van zich horen, bijvoorbeeld wanneer de Chinese muziekleraar in Soerabaja `con sprezzatura' tegen de deurpost leunt – het is tenminste niet aan te nemen dat een kind dat niet eens kan lezen met deze uitdrukking vertrouwd zou zijn.

Dat is wel even wennen, moet ik toegeven: een gevoelige, naar het zich laat aanzien door zijn eigen onderwerp geroerde Thomése. En het is nog maar de vraag in hoeverre ik er ook aan wil wennen. Want hoewel Izak vaak aandoenlijk is om te lezen (`Alles wat hij aanraakt, wordt zacht als zijn eigen huid. Het lange gras waar hij in gaat liggen, vleit zich tot een mandje waar hij precies in past'), wordt de grens met de kitsch (`Een verdriet als een oud Ambonees lied welt in hem op') niet overal even streng getrokken.

Niet dat Thomése opeens beroerd is gaan schrijven. Van zijn verhaal, waarin de muziek en het gehoor niet voor niets zo'n grote rol spelen, heeft hij over het algemeen een mooi en welluidend geheel gemaakt. Wat ik alleen vreselijk mis is de dissonant die alles op scherp zet en die de sprookjesachtige lieflijkheid, waarvan ik op den duur toch een beetje wee ben geworden, even doorbreekt.

Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat die dissonant (en wat voor een!) al aan het boek vooraf is gegaan, maar wie dat als excuus aanvoert, moet zich goed realiseren dat daarmee de laatste resten van Thoméses (vroegere?) literaire credo overboord worden gegooid, zonder dat er vooralsnog iets beters voor in de plaats is gekomen.

P.F. Thomése: Izak. Contact, 176 blz. €17,90