Taal zonder verleden

Het verschijnen van de nieuwe, de veertiende druk van de Dikke Van Dale, Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal, is een evenement. Presentatie in het Concertgebouw. Bekende Nederlanders. Geheime veiligheidsmaatregelen. De televisie is present. Grote stukken in de krant. Deze editie heeft 160 pagina's meer dan de vorige, sinds 1999 zijn er negenduizend woorden bij gekomen! En dan moeten we bedenken dat de DVD nog maar de moeder aller woordenboeken is, om me een variant op de beeldspraak van Saddam Hussein te veroorloven. (Ik bedoel dit `nog maar' natuurlijk niet geringschattend, integendeel). Talrijk zijn de woordenboeken die zich met deelgebieden bezighouden. Eufemismen en politiek correct, geheimtalen, bargoens, leenwoorden, vloeken, rotte vis en andere scheldwoorden, vergeetwoorden, aju paraplu, als komisch bedoelde uitdrukkingen, modewoorden, de taal van het jaar. Boeken met citaten en aforismen. Het gaat goed met het Nederlands, het leeft, het eet zich dik en rond, net als de mensen wier moedertaal het is.

Tegelijkertijd maken we ons grote zorgen. Universiteiten en hogescholen klagen over de `taalvaardigheid' van de eerstejaars studenten. Bedoeld wordt dat de dames en heren niet meer in staat zijn een goedlopende Nederlandse volzin uit hun computer te krijgen, een zin zonder spelfouten, ook grammaticaal in orde, die precies weergeeft wat de schrijver ermee bedoelt. Sinds 1968, het jaar waarin de Mammoetwet werd ingevoerd, zijn de opgroeiende generaties blootgesteld aan vernieuwingen in het onderwijs. Nemen we aan dat mensen die tot de eerste vernieuwde generatie horen, omstreeks 1985 voor de klas kwamen. Ze gaven hun vernieuwingen door aan de volgende generatie, maar terwijl ze dit deden, werden ze zelf blootgesteld aan nieuwe vernieuwingen. Met deze cumulatie van vernieuwingen meldt een totaal vernieuwde generatie zich bij de universiteit. Al op de eerste dag ontstaat daar een spraakverwarring. De student weet niet wat de professor bedoelt, en als de student dat probeert uit te leggen, kan de professor er geen touw aan vastknopen. `Leg dat eens nader uit', vraagt hij. 'Dat is leren leren', zegt de student. `Dat is kenniseconomie!'

Dat de samenleving verandert is een waarheid, zo groot dat iedere beeldspraak tekortschiet. Toen de stomme film door de sprekende werd verdrongen, repten bezorgde cultuurcritici al van `het waanzinnig tempo van deze tijd'. Hoe hoger het tempo van de verandering wordt, hoe groter de kans dat het nog verder wordt versneld. Maar dit betekent niet dat iedere versnelling per definitie goed is, en nog minder dat daarmee alles wat minder snel is, als `oud' kan worden afgeschreven. Dat is het grote misverstand van de fundamentalistische vernieuwers. En het grote misverstand van hun tegenstanders is dat ze zich zouden moeten generen als ze zich daartegen zouden verzetten.

In zijn serie Onder onderwijzers in de Volkskrant doet Martin Sommer verslag van het feest waarmee de vereniging `Vrienden van het gymnasium' haar vijfde lustrum heeft gevierd. Er werd een feestbundel gepresenteerd, Steeds minder leren. In de koffiepauze werd Sommer van verscheidene kanten gewaarschuwd. Je mag wel oppassen dat je niet in de oerconservatieve hoek terechtkomt! Je moet niet denken dat alles vroeger beter was! Je moet die conservatieve leraren niet allemaal geloven!

Dat is de kern van het vraagstuk. Sinds een jaar of veertig wordt het Nederlandse onderwijs aangetast door een vernieuwingsbezetenheid die je langzamerhand doet denken aan de Beeldenstorm (1566). Wat is de Beeldenstorm, zullen sommige jongere lezers misschien vragen. Hebt u dat niet op school geleerd? Zoek het dan maar op in uw Google. Een van de gevolgen van de permanente vernieuwingsorkaan is dat steeds meer jonge Nederlanders hun moedertaal verhaspelen. Het tweede dat de vaderlandse geschiedenis dreigt te verdwijnen. Het derde dat degene die zich daartegen zou willen verzetten omdat het een kaalslag op het eigen verleden is, liever in zijn schulp kruipt dan voor een ouwe zak te worden aangezien. Het moderne politiek correcte is van niets te weten dat eerder dan vorig jaar gebeurd is. Daar kan ook de nieuwe Grote Van Dale met zijn 160 nieuwe pagina's niets aan doen.

Iets anders. Vorige week heb ik een stukje geschreven over de dreigende opheffing van Radio Vier op de FM. Het verzet tegen dit barbaarse plan van de raad van bestuur van de Publieke Omroep groeit uit tot een kleine volksopstand. Ik kreeg een e-mail waarin ik erop attent werd gemaakt dat de klassieke muziek ook in technisch opzicht slecht wordt bedeeld. Het signaal van de klassieke zender is zwakker dan dat van die twintig of dertig stations die zich in pop, hiphop, punk of funk hebben gespecialiseerd. Zorgvuldig moet je je transistortje draaien en kantelen om de beste stand te bepalen. En er dan niet meer aankomen. Dat moet ook anders!