Syrië heeft zich vergaloppeerd in Libanon

Damascus moet zich nu verantwoorden voor de Syrische betrokkenheid bij de moord op de Libanese oud-premier Hariri. Een overzicht van recente gebeurtenissen.

Op maandag 14 februari kwam met een enorme knal een einde aan het leven van de schatrijke Libanese ondernemer en oud-premier Rafiq Hariri. Hij werd opgeblazen toen hij in zijn gepantserde auto door het centrum van Beiroet reed. Met hem kwamen nog twintig mensen om. Onmiddellijk werd met de beschuldigende vinger richting buurland Syrië gewezen. Hariri's gewelddadige dood leidde tot massale demonstraties en uiteindelijk tot het vertrek van de Syrische troepen uit Libanon.

De 60-jarige Hariri, zoon van een arme landarbeider uit de havenstad Sidon, vergaarde zijn fortuin als bouwondernemer in het Midden-Oosten. Als politicus kreeg hij de bijnaam `Mr. Libanon' wegens zijn grote rol in de wederopbouw van Libanon na de burgeroorlog. Hariri was premier van 1992 tot 1998 en van 2000 tot 2004.

Die laatste periode werd gekenmerkt door toenemende rivaliteit met de pro-Syrische president Emil Lahoud. Onder Syrische druk stemde het Libanese parlement een jaar geleden in met aanpassing van de grondwet waardoor de ambtstermijn van Lahoud met drie jaar kon worden verlengd. Hariri had zich daar eerder fel tegen verzet (`Ik hak nog liever mijn hand af'). Toen hij demonstratief in de Syrische hoofdstad Damascus werd ontboden, slikte hij zijn verzet ogenschijnlijk in. Na de parlementaire instemming met het aanblijven van Lahoud trad hij alsnog af om van zijn anti-Syrische opvattingen blijk te geven.

Syrië en Libanon

Syrië's dominante rol in Libanon dateert van de burgeroorlog die Libanon tussen 1975 en 1990 teisterde. Tienduizenden Syrische militairen rukten in 1976 Libanon binnen op verzoek van de Falange, de rechtse, christelijke militie. De Syrische troepen (ruim 40.000 man) wisselden frequent van bondgenoot en tegenstander. In het najaar van 1990 maakten zij een eind aan de burgeroorlog door het neerslaan van de anti-Syrische opstand van de christelijke generaal Aoun. Sindsdien duurde de Syrische bezetting vrijwel geruisloos voort, met militaire aanwezigheid en politieke sturing achter de schermen via de verschillende veiligheidsdiensten.

Na de moord op Hariri kreeg de anti-Syrische oppositie in Libanon de wind in de zeilen. Mede onder sterke buitenlandse druk vertrokken in april de laatste Syrische troepen uit Libanon. De parlementsverkiezingen in juni leverden een grote overwinning op voor de anti-Syrische alliantie, onder leiding van Hariri's zoon Saad. Zijn bondgenoot, oud-minister van Financiën Fouad Siniora, werd premier.

Onderzoek

Op 8 april gelastte de Veiligheidraad van de Verenigde Naties een onderzoek naar de moordaanslag op Hariri. Deze week nog verzekerde de Syrische president Bashar al-Assad dat ,,wij 100 procent'' onschuldig zijn. Maar uit het 53 pagina's tellende rapport dat de Duitse officier van justitie Detlev Mehlis gisteravond overhandigde aan secretaris-generaal Kofi Annan blijkt het tegenovergestelde. Mehlis maakt niet alleen gewag van betrokkenheid van hoge Syrische en Libanese functionarissen bij de aanslag, maar ook van tegenwerking en misleiding van de Syrische regering bij het onderzoek.

Mehlis en zijn onderzoekers ondervroegen meer dan 400 functionarissen en namen zo'n 60.000 documenten door. Op verzoek van Mehlis stemde secretaris-generaal Annan gisteravond in met verlenging van het onderzoek tot 15 december om nog meer duidelijkheid te krijgen over het ingewikkelde complot om Hariri te vermoorden. Volgens het onderzoeksrapport is er ,,overeenstemmend bewijs'' van zowel Syrische als Libanese betrokkenheid bij de moord op Hariri.

Mehlis gaat niet zover om de Syrische president Assad en zijn Libanese ambtgenoot Lahoud persoonlijk als verdachten te kwalificeren, maar stelt wel dat het besluit om Hariri niet genomen had kunnen worden zonder de goedkeuring van de Syrische veiligheidstop, en niet uitgevoerd had kunnen worden zonder medewerking van hun Libanese tegenhangers.

Afgelopen augustus werden in Beiroet al vier Libanese generaals opgepakt, hoge pro-Syrische veiligheidsfunctionarissen. In het rapport van de VN wordt nu aan Syrische zijde ook de naam genoemd van generaal Asef Shawkat, een zwager van president Assad. Vier dagen na de moord op Hariri werd hij gepromoveerd tot hoofd van de militaire inlichtingendienst. Volgens getuigen die in het VN-rapport worden aangehaald, zette Adef Shawkat een van daders aan tot de bomaanslag.

Voor zover bekend gaat onderzoeker Mehlis in zijn rapport niet in op de `zelfmoord' vorige week van de Syrische minister van Binnenlandse Zaken, Ghazi Kenaan. Sommige buitenlandse diplomaten brengen zijn dood in verband met het uitkomen van het onderzoeksrapport.Hij zou tot `zondebok' zijngemaakt.