Slechte seks is overal

Wat zijn zo'n kleine veertig jaar later de gevolgen van de seksuele revolutie? Hoe moeten de hieruit voortvloeiende maatschappelijke veranderingen worden beoordeeld? In de bundel Seksuele revolutie ter discussie maken verschillende auteurs de balans op van de strijd om het recht op seksuele zelfbeschikking.

Seks en moraal kunnen niet los van elkaar worden gezien. De bevrijding van de seksualiteit uit de taboesfeer deed individuele problemen van morele aard verdwijnen, maar leidde tegelijk tot het ontstaan van nieuwe problemen – ook van morele aard. De seksuele revolutie zorgde ervoor dat `goede seks' (de vrijwillige, vreugdevolle, intimiteitsverhogende, schuldeloze, desnoods alleen maar lekkere varianten) welig kon tieren. Maar hetzelfde gebeurde met `slechte seks': afgedwongen, harde, geperverteerde, commerciële, liefdeloze varianten. En omdat goede seks door de betrokkenen ook graag privé wordt gehouden, staan de media doorgaans bol van de slechte seks.

De meeste auteurs wijden wel een paar zorgelijke alinea's aan de steeds verdergaande commercialisering van seks. Gezinssocioloog Kees de Hoog relativeert in zijn bijdrage `Van seksueel taboe naar hedonistische commercialisering' de invloed van slechte seks, omdat `de seksualiteit bij de overgrote meerderheid van de bevolking ligt ingebed in meer omvattende intermenselijke relaties en geen doel op zichzelf is'. Dit mag zo zijn, maar het probleem ligt juist bij de maatschappelijke groepen die minder weerbaar zijn en die van huis uit niet veel opvoeding meekrijgen. Die waren collectief gezien voor de seksuele revolutie eigenlijk beter af dan daarna.

Het beste stuk in de bundel – `Vrije seks is geen symbool van beschaving' – is van journalist Ralf Bodelier. Voor zijn analyse put hij uit het gedachtegoed van Camille Paglia (vooral de tegenstelling apollinisch-dionysisch komt hem hierbij goed van pas), volgens wie de duistere, maatschappij ondermijnende kanten van seks nooit ontkend mogen worden. Bodelier verzet zich tegen de gedachte dat de detaboeïsering van pornografie zou bijdragen tot een vrijere, prettiger maatschappij. In de seksindustrie wordt mondiaal meer dan 5.000 miljard euro omgezet, op het internet (slechts) 315 miljoen euro, maar volgens een rapport van de Zweedse europarlementariër Marianne Eriksson is in recente jaren de hoeveelheid kinky seks aldaar geëxplodeerd, met een sterke stijging in gewelddadige pornografie, zoals fist-fucking, seks met poep en urine, martel- en verkrachtingsscènes, dode foetussen in een seksuele contekst, kinderporno, necrofilie en seks met dieren.

De verantwoordelijkheidsvraag vloeit rechtstreeks voort uit de seksuele revolutie: is iedereen vrij om aan z'n gerief te komen hoe hij maar wil, virtueel gesproken, zolang de weldenkende elite de ogen dicht kan houden? Of moeten mensen zich moralistisch opstellen om anderen ervan te weerhouden geld te verdienen dan wel te spenderen aan kwalijke rotzooi?

Dit is geen nieuwe kwestie, maar in ieder geval de moeite waard om over na te denken, iets wat je niet kunt zeggen van het stuk `Seksualiteit in een maatschappij van overvloed' van cultuurfilosoof C.W. Rietdijk. Deze vooruitgangsfundamentalist meent dat het enige dat nog ontbreekt aan het geluk dat de seksuele revolutie ons bracht gelegen is in het probleem `dat er zo weinig echt aantrekkelijke individuen bestaan' en `dat de liefdesmarkt opereert op basis van de toevallige ontmoeting'. Voor het eerste ziet hij eugenetica als oplossing. Voor het tweede denkt hij aan (wetenschappelijk begeleid) internetdating. Ach, als het leven zo eenvoudig was.

S.W. Couwenberg (red.): Seksuele revolutie ter discussie. Van Phil Bloom tot Sex and the City. Civis Mundi jaarboek 2005. Damon, 144 blz. €14,90