Quijote Quichot Quichotte Quixote

Vladimir Nabokov, Thomas Mann en Gustave Flaubert schiepen elk hun eigen Don Quichot. De een benadrukte diens wreedheid, de ander diens humor. Het laat zien hoe rijk het 400 jaar geleden verschenen origineel is.

Vleermuizen die rondzwermen in een duistere spelonk, zo ziet mijn geheugen voor data er uit. Ik jaag er op met mijn vlindernet, dat ze meteen stuk bijten, maar nu heb ik er toch een: nummer 54. Het moet dus in 1954 geweest zijn dat een schim mij in Barcelona zei dat ik 's avonds laat naar de Bar Bohemia, ergens? waar? op of in de buurt van de Ramblas moest gaan. Daar zou iets `zeer Spaans' te zien zijn. En al is Catalonië Spanje niet, het klopte.

Denk al die toeristen van vandaag weg, zet hier en daar wat jonge soldaten met te grote Duitse helmen neer. Doe er wat armoede bij, mensen die sigaretten nog per stuk verkopen, en we zijn er, 1954, Barrio Chino. In die buurt moet het geweest zijn, ergens tussen bordelen voor de officieren en geplamuurde hoeren voor de matrozen. De herinnering wordt pas helder als ik binnen ben, geen vleermuis meer te bekennen, een kleine ruimte, publiek lacherig en een beetje hitsig, een laag podium, licht niet overdadig, een oude piano.

Wat is de definitie van wreedheid? Wanneer is iets wreed, en wanneer is iets leuk?

We zijn nu nog in La Bohemia, ik ben misschien al wel twintig, en wat ik zie vind ik wreed, en de mensen om mij heen vinden het leuk. Ze lachen zich rot, en toch zien ze hetzelfde wat ik zie. Oude mensen. Oude zangers en danseressen, een archeologie van het vermaak, opgegraven sopranen, verwelkte ballerino's. In het vak dat ze ooit hebben uitgeoefend zijn ze al tien keer gestorven. Wat je ziet is verleden tijd die nog beweegt. Als de piano niet vals is, zijn de stemmen het wel, hoe pathetischer het is, hoe harder er wordt gelachen. Dun haar, dikke lagen schmink over schedels en levervlekken, door het stof van de ouderdom heen zie je het gebaar van de heldentenor, de arthritische pasodoble wordt toegejuicht met olé's. Ik geneer me dood, de verdwaalde ethische noorderling op de verkeerde plaats.

Later op de avond krijg ik een exemplarische les. Ik ben opgelopen met een van de zangers. Hij heeft zijn rouge nog op en zit nergens mee. We lopen door een donkere steeg. Er is nog een tentje open. Ik bied hem iets aan en hij neemt een kopje chocola en rookt een Ideales. Ik weet niet of die sigaret nog bestaat, dikker dan de sigaretten van nu en vol zwarte barbaarse tabak. Vroeger? Ach, vroeger heeft hij opgetreden in het Teatro Colon in Buenos Aires en in Rio de Janeiro, elk jaar met een luxe mailboot heen en weer naar Zuid-Amerika. Dan moet mijn onnozele leeftijd de vraag stellen waarop hij het antwoord al zo vaak aan zijn spiegel gegeven heeft. Zijn overhemd is gerafeld aan de boord, hij draagt een verschoten palmbeach-pak en kijkt mij aan zoals vroeger mijn wiskundeleraar als ik weer eens iets stoms gezegd had. Ik verdien er mijn geld mee, zegt hij, en waar zou ik anders van moeten leven? En daarbij, zegt hij dan, met de panache van de oude acteur die weet hoe hij een laatste zin neerzet: ,,Hay pocas verdades en la vida.'' Er zijn weinig waarheden in het leven.

Is Don Quichot om te lachen? Volgens Thomas Mann zeker (in zijn Zeereis met Don Quichot). Hij heeft het hoofdstuk met de leeuwen meteen tweemaal gelezen vanwege het `komische pathos' en de `morele intelligentie'. Nabokov, die trouwens niet van Thomas Mann houdt, vindt het vooral een wreed boek. Hoe Spaans was die avond in La Bohemia? Heeft Ortega y Gasset gelijk, die vond dat het Spanje van zijn tijd zijn ziel verloren had en dat het die terug zou kunnen vinden in het boek van Cervantes? Nabokov en Ortega maken tweemaal dezelfde vergelijking, die van de lijdende Don Quichot met de lijdende Christus. Was Christus aan het kruis leuk? Nee, het stierengevecht halen we er deze keer niet bij, het paard dat met picador en al omviel, de stier die met zijn horens onder het beschermende leren pantser de buik wist te vinden, de darmen die eruit stroomden, waarna het paard op zijn zij door andere paarden de arena werd uitgesleept en een spoor van bloed achterliet. Daar lachte niemand om, maar gehuild werd er ook niet.

Maar goed, hoe Spaans is Don Quichot? Volgens de inleiding van Alberto Navarro bij Het Leven van Don Quijote en Sancho van Miguel de Unamuno zo Spaans dat wij er nauwelijks aan te pas komen. Het sluit de hele filosofie van Spanje in (Unamuno), het is onze beste spiegel en symbool (Azorin), de sleutel van ons bestaan (Ortega), kortom een perfect middel om het gemaltraiteerde, decadente en op sterven na dode Spanje van het begin van de twintigste eeuw opnieuw tot leven te wekken. Alles wat `buitenlandse zielen' (zegt Ortega) er over opgemerkt hadden waren dan misschien wel `iluminaciones' en `claridades', maar die waren dan toch ook maar `kort' en, in ieder geval `onvolledig'. Zij konden niet raken aan `de grote gestalte van Don Quichot die over de wijde vlakte van la Mancha als een vraagteken gebogen staat, de bewaker van het geheim van Spanje, van de vergissing van de Spaanse cultuur'. Voor ons, niet-Spaanse anderen, was de Quichot dan misschien wel een `goddelijke curiositeit', maar niet, zoals voor de Spanjaarden zelf, het `probleem van hun bestaan'.

Bij Nabokov niets van dat alles. Hij haalt het boek van Cervantes uit elkaar als een ingenieur. Tien structurele elementen. Het tiende: mystificatie. `Wat ik nu eerst ga doen is licht maken in een hoek van de martelkamer met mijn kleine toortsje – voorbeelden van vrolijke wreedheid in deel I, daarna zal ik de geestelijke wreedheden van deel II bespreken.'

En dan haalt hij een verhaal aan over Philips de Derde, `a freak in his own right', die vanaf het balkon van zijn paleis stond te kijken naar een jonge student onder een eik die als een idioot zat te lachen. `Die is of gek, of hij leest Don Quichot', zei de koning, en de schrijver van vierhonderd jaar later vraagt: `waardoor werd in de dodelijk sombere wereld van Philips toch zo'n wilde vreugde opgewekt?' en geeft zelf het antwoord met een lange lijst van wreedheden, te beginnen met de herbergier in hoofdstuk 3 die een verwilderde gek in zijn herberg laat slapen om hem uit te lachen en hem door zijn gasten te laten uitlachen.

Hier zijn we terug bij La Bohemia, en daar blijven we voorlopig. We brullen hilarisch als een halfnaakte knul door een machtige boer met een riem wordt afgetuigd (hoofdstuk 4), we barsten van het lachen als een ezeldrijver in hetzelfde hoofdstuk de hulpeloze Don Quichot tot pulp slaat, als in hoofdstuk 8 elke haar uit Sancho's baard wordt getrokken, lachen ook als Rocinante in hoofdstuk 15 zo hard geslagen wordt dat het arme beest halfdood op de grond valt.

En dat zijn dan alleen nog maar de fysieke kwellingen, gerubriceerd tot de stijlfiguur waarin Nabokov het boek herschrijft, en die hij ten volle uitbuit om de geestelijke martelingen van het tweede deel uit de doeken te doen. De zin waarmee hij begint, liegt er dan ook niet om: `Vergeleken bij de lol in het eerste deel bereikt de vrolijk makende wreedheid van het tweede deel een hoger en duivelser niveau wat betreft de geestelijke vormen ervan, terwijl het fysieke aspect tot een nieuwe laagte van ongelofelijke wreedheid afzakt.' Borges wist het al: zijn Pierre Menard was niet de enige die een eigen Don Quichot schreef, er is geen schrijver die er af kan blijven. En dat betekent meestal dat voor lezers hetzelfde geldt, omdat lezers nu eenmaal schrijvers zijn die hun onschuld nog niet verloren hebben.

De Quijote van Ortega y Gasset blijft een andere. Weliswaar raakt hij aan die van Nabokov wat betreft Christus (Ortega: `want in zekere zin is Don Quijote de parodie van een goddelijkere en serenere Christus, hij is een gothische Christus, gemarineerd in moderne angsten' – Nabokov: `en daar staat Don Quichot, een misselijke vertoning, de jongens gapen naar zijn treurige gestalte – het enige wat er ontbreekt is een doornenkroon'), maar in zijn eigen Quichot zoekt Ortega vooral naar het geïdealiseerde beeld van een vroeger Spanje, waarbij de auteur hem moet helpen: `Cervantes – een geduldige hidalgo die een boek heeft geschreven – zit nu al driehonderd jaar in de tuin van Elysium en wacht, melancholiek om zich heen kijkend, op de geboorte van een kleinzoon die hem begrijpt.'

En mijn eigen Don? Die heb ik gezocht in Madrid, bij het graf van Cervantes dat er niet meer is, en bij dat zogenaamde standbeeld tegenover de Cortes, waar iemand staat die het boek geschreven moet hebben, een willekeurige Spanjaard in het kostuum van zijn tijd, iemand die uitgeveegd is door zijn schepping zoals Shakespeare door Hamlet en Lear. En ik heb hem gezocht in die kelder in Argamasilla waarin Cervantes al dan niet de vrouw bedacht heeft die nooit bestaan heeft, maar van wie het huis in El Toboso staat. Dat weet ik zeker, want ik ben er in geweest, ik heb haar bed en haar keuken gezien, het echte bed van een verzonnen vrouw. En ten slotte, ik heb hem gezocht bij die windmolens.

Natuurlijk waren dat reuzen die een oude man met paard en al van een heuvel af kunnen slaan, terwijl Sancho, die beter wist, toekijkt. Lachen, lachen, maar zien we wel wat we zien? Volgens Roberto Calasso (in zijn nieuwe boek K.) zag Kafka iets heel anders. Hij zag de schrijver Sancho Panza die het gelukt was zijn duivel `die hij later Don Quichot zou noemen' van zich af te schudden. Of is dat allemaal veel te hoog gegrepen en moeten we terug naar de koude Engelse grond van Virginia Woolf en luisteren naar wat zij op 5 augustus 1921 in haar dagboek schrijft? `Dit is volgens mij het meest in het oog springende motief voor D.Q.: ons koste wat het kost bezighouden. Voorzover ik kan beoordelen zijn de schoonheid en diepzinnigheid er onbewust ingeslopen: Cervantes was zich vrijwel niet bewust van een diepere zin en zag D.Q. door heel andere ogen dan wij. Daar ligt mijn probleem – de droefgeestigheid, de satire, in hoeverre is dat iets wat wij er zelf inleggen, wat niet zo bedoeld is? Of bestaan deze grote figuren het om te veranderen met elke generatie die naar hen kijkt?'

Dat laatste zou best eens kunnen, en misschien was het dan ook deze vraag die Borges het idee voor Piere Menard, schrijver van de Don Quichot gegeven heeft, dat wonderbaarlijke niet-bestaande wel bestaande boek, `misschien wel het veelbetekenendste van onze tijd', dat bestaat uit het negende en achtendertigste hoofdstuk van het eerste deel van de Don Quichot van Cervantes en dan nog een fragment uit het tweeëntwintigste hoofdstuk? Wie zal het zeggen? Misschien dan toch Ortega als hij schrijft: `Het ontbreekt ons aan een boek waarin volstrekt duidelijk bewezen wordt dat elke roman als een verborgen watermerk de Don Quijote in zich draagt', en als bewijsvoering Flaubert citeert die zegt: `Ik vind al mijn oorsprongen terug in het boek dat ik uit het hoofd kende voor ik kon lezen, Don Quichotte.'

Wegens de wreedheid, de tragedie? Nee, die is van Nabokov. Dan toch weer vanwege de humor, omdat Flaubert gezegd heeft dat wat de moderne wereld nodig heeft een Aristofanes is? Tsjechov vond dat zijn toneelstukken komedies waren.

Vond ik zelf ook nog iets? Aan het einde van zijn meditaties komt Ortega terecht bij het begin, bij Plato, waar Aristodemos aan het eind van het Gastmaal, wakker geworden uit zijn halfslaap, hoort hoe Sokrates praat tegen Aristophanes en de jonge tragedieschrijver Agathon. Sokrates zegt dat komedies en tragedies eigenlijk nooit door twee verschillende, maar door een en dezelfde schrijver, geschreven zouden moeten worden. Daar ben ik het mee eens, als ze dan hun lezers maar niet voorschrijven hoe het boek gelezen moet worden.

Iedere lezer maakt het boek dat hij leest op zijn eigen manier af. Van Max Brod weten we dat de vrienden hartelijk moesten lachen als Kafka uit zijn werk voorlas. Maar dat was vast niet dezelfde lach als die ik in La Bohemia gehoord heb. Daarom kan Guy Davenport, aan het eind van zijn inleiding bij Nabokovs Lectures on Don Quixote ook zeggen: `En zelfs Nabokov, altijd razendsnel om wreedheid op te sporen en aan de kaak te stellen in alles wat sentimenteel is, concludeert: ,,We lachen niet langer om hem. Zijn blazoen is medelijden, zijn banier is schoonheid. Hij staat voor alles wat zacht is, verloren, puur, onzelfzuchtig, en galant.'''

Er is nog een schrijver die we bij al dit gewoel vergeten hebben. Borges heeft ooit gezegd dat sommige vertalingen beter zijn dan het origineel. En Gregory Rabassa, de vertaler in het Engels van Gabriel Garcia Márquez, Cortázar en andere groten, zegt in zijn pas verschenen autobiografie dat een vertaler een schrijver is die geen plot hoeft te verzinnen, maar wel een boek opnieuw schrijft. Alle schrijvers die ik hierboven genoemd heb, schreven als lezers, volgens het recept van Borges, hun eigen Don Quichot. Wat Cervantes van hun versies gevonden zou hebben, zullen we nooit weten. Maar jammer is het dat hij geen Nederlands kan lezen, want in die taal is een boek verschenen over de vernuftige edelman Don Quichot van la Mancha dat hem verrast zou hebben, al was het maar omdat de auteur een vrouw is.

Dit is de tekst van een lezing die Cees Nooteboom vorige week dinsdag hield ter gelegenheid van het begin van de filmcyclus `Don Quichot in de film', georganiseerd door het Instituto Cervantes in de Melkweg te Amsterdam. Inl.: www.utrecht.cervantes.es/ of www.cervantes.es/

Miguel de Cervantes Saavedra, `De vernuftige edelman Don Quichot van la Mancha' (vert. Barber van de Pol), Athenaeum – Polak & van Gennep