Nooit meer los van de zus

Wie dacht aan Henk van Woerden, dacht tot voor kort aan Zuid-Afrika. Zijn eerste roman, Moenie kyk nie (1993), ging over een Nederlands gezin dat in de jaren vijftig naar Zuid-Afrika emigreerde om daar opnieuw te beginnen. Het boek was, naar eigen zeggen, `volledig autobiografisch'. Híj was dat jongetje met dat glazen oog dat al die erge dingen mee had gemaakt. Ook zijn tweede en zijn derde roman waren deels op eigen ervaringen in Zuid-Afrika gebaseerd. In 2001 nam hij het besluit van dat gebaande pad af te wijken. In een vraaggesprek met de Volkskrant kondigde hij aan dat hij nu eens wilde bewijzen dat hij ook een roman kon schrijven zonder terug te grijpen op eigen herinneringen of ervaringen. Een Europese roman stond hem voor ogen.

Nu, vier jaar later, kunnen we vaststellen dat hij zijn belofte gestand heeft gedaan. Ultramarijn is niet Nederlands en ook niet Zuid-Afrikaans en trouwens ook niet uitsluitend Europees, maar mediterraan. Van Woerden laat zijn romanfiguren niet alleen zwelgen in allerlei tinten blauw, maar laat ze ook graag over de Middellandse Zee uitkijken of erin plonzen, om even aan de zwaarte van het leven te ontkomen. Er komen veel Turken in voor, maar ook Egyptenaren, Grieken, Duitsers, Zwitsers, Australiërs en ook nog een paar min of meer verdwaalde Hollanders.

Als Van Woerden deze roman als zijn meesterproef heeft bedoeld, dan kunnen we hem meteen geruststellen. Met Ultramarijn bewijst hij dat hij óók met veel inleving kan schrijven over landen waar hij nooit gewoond heeft, over talen die hij niet kan spreken, over landschappen waarin hij niet dagelijks verkeert en over mensen en situaties die hij niet van huis uit kent. Bovendien heeft het boek niet alleen internationale allure, maar is het ook nogal heftig van stof. Het zet in met een verkrachting van een minderjarige en het speelt zich verder af in het schemergebied van incest, raciale spanningen, landverhuizing, alcoholmisbruik en prostitutie. Zo samengevat klinkt de hele geschiedenis wat zelfkantiger dan hij eigenlijk is, maar overdreven lieflijk is de roman zeker niet, hoe vaak er ook iets ultramarijns in bezongen mag worden: het heldere azuurblauw van zee, bergen en lucht.

Vreemdelingenhaat

Het land dat hier op de literaire kaart wordt gezet moet wel het Turkije vanaf de jaren vijftig zijn, al blijft het ongenoemd. We moeten het doen met `de Republiek', `het Moederland' en `het Vaderland'. Hoewel Van Woerden niet diep in gaat op politieke zaken en bijvoorbeeld niet rept over de door Turkije zo gewenste aansluiting bij de Europese Unie, stipt hij wel van alles aan uit het verleden: spanningen tussen regering en oppositie, verkiezingsrellen, vreemdelingenhaat, een militaire coup, het ophangen van een premier, censuur, de beknotting en verbanning van al te vrijdenkende burgers.

Het wordt niet duidelijk waarom Van Woerden het land van zijn hoofdpersonen geen naam geeft. Zou hij bang zijn geweest om nu weer, na met moeite afgekomen te zijn van zijn Zuid-Afrikaanse stigma, jarenlang bestempeld te worden als een schrijver van Turkse romans? Of gaat het hem om zoiets als de menselijke conditie en niet om een specifiek land met specifieke eigenaardigheden en problemen? Dat laatste lijkt nog het meest plausibel. En het past ook bij de wat afwerende, hoekige stijl van Van Woerden, die niet speciaal uitnodigt tot herkenning of identificatie, maar eerder tot nadenken en verwondering. Wat hebben al die korte, losse zinnetjes precies met elkaar te maken? Hij maakt het zijn lezers niet gemakkelijk met soepel lopende alinea's die logisch uit elkaar voortvloeien, maar laat ze rustig puzzelen en zelf de losse eindjes aan elkaar knopen. Als hij een van de romanfiguren door een havenstadje laat lopen, dan kan er zoiets staan: `Ze passeert een uitgebrande bus op de boulevard. Politie staat erbij met zwaailichten. Iets verderop wordt een gebouw bewaakt door mannen met machinepistolen. Ze vraagt een passant wat er aan de hand is en krijgt geen antwoord. Een ander legt een vinger aan zijn lippen. In de haven stoot een schip stoom uit.' In het vervolg zullen we niets meer vernemen over die uitgebrande bus, die zwaailichten en die machinepistolen. We mogen zelf een verklaring verzinnen voor het oproer dat hier kennelijk plaats heeft gehad.

Net als in zijn romans over Zuid-Afrika koos Van Woerden in Ultramarijn voor een `dwalie' als hoofdpersoon. De Turkse Joakim is een zwijgzaam, ongedurig type met onconventionele gedachten en opvattingen. Hij is een dwaalgast, een dromerige zwerver, die steeds maar half aanwezig lijkt te zijn. Hij begrijpt de mensen niet zo goed en ziet hun eindeloze gesteggel met verbazing aan. Als muzikant probeert hij zijn toehoorders met zijn bijzondere luitspel uit hun tent te lokken. Vooral legt hij eer in met wat hij `hidjaz makám' noemt, een soort zigeunermuziek in een iets afwijkende toonsoort en klankkleur. Van Woerden maakt ons nogal lekker met de heimweeklanken-in-mineur die zijn held aan zijn luit zou weten te ontlokken en waarmee hij `de onbeschrijfelijke afstand tussen mensen' zou weten te overbruggen.

Op seksueel gebied is Joakim moeilijk te plaatsen. Hij valt op vrouwen, maar laat zich soms ook de avances van mannen welgevallen. Echte liefde koestert hij intussen vanaf zijn tienerjaren alleen voor die ene vrouw die hij niet kan krijgen: zijn halfzus Aysel. Deze wederzijdse, onmogelijke liefde vormt de spil van Ultramarijn. Aysel probeert een eind te maken aan de incestueuze verhouding door aan te pappen met een Griekse arbeider, maar dat levert alleen maar extra complicaties op. Hij wordt als `vreemdeling' door een woedende menigte gelyncht. Aysel weet, als `hoer' van de vreemdeling, nog net te ontkomen. Haar vader neemt zijn zwangere dochter mee naar `Europa' en zeven maanden later wordt daar haar dochter Özlem geboren. Aysel vestigt zich in Frankfurt en begint een restaurant. Joakim zal haar nooit vergeten.

Knoflookmens

Özlem voelt zich een vreemdeling, ook al is ze geboren en getogen in Duitsland. Zij is en blijft `dat knoflookmens', dat er nooit echt bij zal horen. Op haar zestiende trekt ze naar Amsterdam, maar na enkele jaren als hoer op de Wallen, krijgt ze genoeg van het land met die zeventiger-jaren-mentaliteit, en waar alles schijnbaar kan. Een vakantiereisje voert haar naar de badplaats Dogrun, waar zij `tenminste met het landschap' samenvalt. Ze besluit te blijven. Dan voelt men wel aankomen waar dit op uit moet draaien. Inderdaad: vader Joakim en dochter Özlem ontmoeten elkaar omdat hij in Dogrun een concert geeft en de incestueuze geschiedenis herhaalt zich. Al zal `het verhaal dat niet verteld mag worden' deze keer een eleganter en gelukkiger besluit krijgen.

Waarom zou Van Woerden hebben gekozen voor zo'n pijnlijk dubbel incestverhaal in plaats van voor een `gewone' liefdesverhouding-met-verwikkelingen? Om elke schijn van een idylle te vermijden? Om te laten zien dat het voor mensen die zich verscheurd voelen, niet goed mogelijk is om normale liefdesbetrekkingen aan te knopen? Of om het zo uitgebreid bezongen luitspel van zijn tragische held nog meer existentiële noodzaak te verlenen?

Wat ontbreekt in deze hier en daar wat ijle roman is nu juist de muziek: datgene wat zich niet hoorbaar laat maken in een beschrijving, hoe lyrisch ook. Misschien is het een idee om een herdruk van Ultramarijn vergezeld te doen gaan van een cd met luitmuziek, met veel blauwe noten, waarin men, als aanvulling op de hoekige heimweewoorden van Van Woerden, de zee, de bergen en de lucht ook kan beluisteren.

Henk van Woerden: Ultramarijn. Podium, 300 blz. €19,90