Laat hogeschool apart

Het bedrijfsleven heeft behoefte aan mensen met een praktische hogere beroepsopleiding en daarom moeten hoger onderwijs en universiteit niet in elkaar geschoven worden, vinden Loek Hermans en Bernard Wientjes. Aan de wieg van het hoger onderwijs staat het vmbo. Wanneer daar het beroepsgerichte onderwijs de ruimte krijgt, kan dit schooltype van zijn negatieve imago afkomen, betogen Marko Otten en Kees van der Wolf.

De nieuwe Wet op het hoger onderwijs en onderzoek, die in 2007 wordt ingevoerd, belooft weinig goeds. Althans niet voor werkgeversorganisaties die van huis uit gebaat zijn bij een zo goed mogelijke balans tussen vraag en aanbod. Dan is het slecht wanneer het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten straks vervaagt, zoals een van de voornemens luidt. Volgens staatssecretaris Rutte (Onderwijs) moeten hogescholen in de nabije toekomst een erkenning kunnen krijgen als universiteit en ook in de titulatuur verdwijnt het onderscheid.

Dit leidt tot grote onduidelijkheid bij het bedrijfsleven, dat bij de selectie van personeel voor bepaalde functies van een eenduidig opleidingsprofiel wil kunnen uitgaan. Nederland is met 14 universiteiten al rijkelijk voorzien van academisch onderwijs; het bedrijfsleven heeft veel meer behoefte aan mensen met een praktische hogere beroepsopleiding.

Daarom moeten twee duidelijk onderscheiden typen hoger onderwijs behouden blijven: hbo en universiteit. Daarbij komt dat hogescholen voor hun erkenning tot universiteit researchfaciliteiten zouden moeten opbouwen, wat onherroepelijk ten koste gaat van het onderwijs. Er is niet zozeer iets tegen een bestuurlijke fusie van een hbo-instelling en een universiteit, wel is er alles op tegen wanneer de fusiepartners vervolgens verdergaan onder de naam `universiteit'.

In het geval van een bestuurlijke fusie moet er een holdingstructuur komen, waarvan de afzonderlijke delen universiteit en hogeschool blijven heten, zodat de twee onderwijsprofielen herkenbaar blijven. De totale holding kan dan bijvoorbeeld de naam Hoger Onderwijscentrum (HOC) of U-HBO (universiteit-hbo) dragen. Daarbij moet een landelijk kader voor het opleidingenaanbod worden geïntroduceerd, waarbij de bijbehorende graden en titulatuur worden vastgesteld. Voor hbo-master en wo-master moeten twee afzonderlijke titels zijn.

Een hiaat in de huidige Wet op het hoger onderwijs is dat onderwijsinstellingen niet verplicht worden zich met het werkveld te verstaan over de vereisten van de praktijk. Aangezien het bedrijfsleven grootafnemer is van afgestudeerden en werknemers die zich na de nodige scholing (opnieuw) op de arbeidsmarkt begeven, lijkt het uit oogpunt van efficiency en effectiviteit niet meer dan logisch dat een dergelijk overleg wél verplicht wordt gesteld.

Op dit moment zijn onderwijsinstellingen vrij om overleg met het werkveld aan te gaan en overleggen zij vaak met individuele ondernemers, in plaats van met branchevertegenwoordigers, die over de grenzen van een individuele onderneming heen kunnen kijken. Samen met de VSNU en de HBO-Raad is inmiddels een convenant opgesteld waarin afspraken worden gemaakt voor overleg tussen hogescholen/universiteiten en branches/beroepsorganisaties.

In de nieuwe wet moet dit overleg verplicht worden gesteld, evenals de verplichting van het onderwijsveld om gedegen rekening te houden met de wensen en opmerkingen van het werkveld. Voor een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is dit van het grootste belang.

Ook het voornemen van staatssecretaris Rutte om op termijn de kwaliteit van de opleidingen niet langer per opleiding te laten beoordelen door mensen van buiten, maar een algemene beoordeling voor de gehele instelling te laten uitvoeren door de instellingen zelf (de instellingsaccreditatie) is een slechte zaak. Immers, onderwijsinstellingen zijn op dit moment vrijwel autonoom. Als niet standaard door externe deskundigen naar de kwaliteit van de opleidingen wordt gekeken, ontbreken de checks and balances in het systeem. Een beoordeling door instellingen zelf wordt al snel een beoordeling van onderwijsinterne aard, terwijl kwaliteit in de eerste plaats moet inhouden dat de opleiding door de markt als relevant en up to date wordt beoordeeld.

Door middel van externe beoordelingen moeten slechte opleidingen kunnen worden uitgefilterd en moeten deze niet worden opgevangen door de betere opleidingen van de instelling, waardoor een gemiddeld beeld ontstaat.

Wat wel eventueel per instelling kan worden getoetst is een aantal instellingsaspecten, zoals het kwaliteitszorgsysteem van de instelling, de ICT-infrastructuur en bibliotheekvoorzieningen.

Voor de beoordeling van onderzoek moet om dezelfde redenen geen instellingsaccreditatie worden toegepast. Voor de markt en de universiteiten is het belangrijk dat er een kwaliteitszorg komt per onderzoeksterrein, waarbij universiteiten ook onderling op hun prestaties kunnen worden vergeleken.

Het moge duidelijk zijn: universiteiten en hogescholen moeten kiezen voor een onderscheidend profiel, voor onderzoek en onderwijs. Macrobelangen behoren vóór instellingsbelangen te gaan. Als uit verkenningen binnen een sector blijkt dat een bepaald wetenschappelijk terrein te zeer versnipperd blijft en de universiteiten er niet in slagen om in samenwerking met elkaar tot zwaartepunten te komen, moet de overheid kunnen ingrijpen.

Wil Nederland internationaal kunnen blijven concurreren, dan moet het onderzoek immers kwalitatief van hoog niveau zijn. Kennisinstellingen zijn er niet voor zichzelf maar voor de samenleving.

Drs. Loek Hermans is voorzitter van MKB-Nederland en mr. Bernard Wientjes is voorzitter van VNO-NCW.