In Marokko mogen Berbers zich nu manifesteren

De Berbers uit de Rif zijn in Marokko lang onderdrukt. Onder de huidige koning is dat veranderd. Politiek en cultureel krijgen Berbers nu veel meer ruimte.

De eerste officiële reis die koning Mohammed VI na zijn troonsbestijging in 1999 maakte was naar Tanger en de Rif, het gebied waar de meeste immigranten in Nederland uit afkomstig zijn. Het was een schot in de roos: de koning werd verwelkomd door een enthousiaste menigte met vlaggetjes en spandoeken.

Een auto even verderop in het escorte werd echter bedolven onder rotte eieren. Die waren bedoeld voor minister van binnenlandse zaken Driss Basri, de man die gedurende jaren had gefungeerd als de gevreesde grootvizier van koning Hassan II. De bewoners van Noord-Marokko, de Berbers uit de Rif in het bijzonder, stonden de decennia aan onderdrukking, vernedering en systematische verwaarlozing onder de overleden vorst nog helder voor de geest.

Koning Hassan haatte de Rif. Nadat hij persoonlijk een opstand van Rif-Berbers in 1958 had onderdrukt, compleet met napalmbombardementen op een aantal dorpen, zette de vorst nooit meer een voet in de streek. Het huis van Berberleider Abd-el-Krim, de succesvolle verzetstrijder tegen koloniale heersers, liet hij tot puin vervallen. De Rif verpauperde tot een van de armste delen van Marokko, slechts draaiend gehouden op de gelden van de emigranten en de massale teelt van hasj.

De tweedeling tussen Berbers en Arabieren in Marokko is niet altijd even evident en is vooral bepaald door taal en familieachtergrond. Maar onderhuids raakt het vanouds een gevoelige zenuw in een jong land, dat af en toe nog met zijn eigen identiteit worstelt. De Arabieren, die de Maghreb in de achtste eeuw binnenvielen, slaagden er nooit in om de Marokkaanse gebieden geheel onder hun gezag te brengen. In de grote steden heersten de sultans en de makhzen, de machthebbers rond het hof. Buiten de poorten maakten een wisselende samenstelling van Berberstammen de dienst uit.

De Franse koloniale bezetter maakte een einde aan deze tweedeling en vestigde een centraal gezag. Maar de discriminatie van de Berbers bleef. In het onafhankelijke Marokko sprak de elite Frans of Arabisch. Hoewel vermoedelijk meer dan de helft van de Marokkanen er thuis in werd grootgebracht, was er geen onderwijs in de drie Berbertalen. De Berbercultuur – essentieel in het Marokkaanse erfgoed – werd doodgezwegen.

Onder koning Mohammed VI is er echter een belangrijke herwaardering gaande van de Berbers. Er werd een speciaal koninklijk instituut voor de Berbercultuur opgericht en er is een begin gemaakt met onderwijs in de Berbertalen. Voor de Rif is een speciale ontwikkelingsmaatschappij opgericht om het gebied economisch te stimuleren. De Berbers manifesteren zich steeds zelfbewuster. De talloze drukbezochte festivals met Berbermuziek zijn daar een goed een voorbeeld van. Politiek timmert de Berberbeweging duidelijker aan de weg.

De grootste vijand van de Berberbeweging in Marokko is tegenwoordig niet de Arabischsprekende bevolking (vaak zelf van Berberafkomst), maar de politieke islam. Vanuit de islamitische partij PJD en de fundamentalistische beweging van sjeik Abdessalam Yassine zwellen met enige regelmaat tirades aan tegen de Berberfestivals, waar volgens hen zedeloze muziek wordt gespeeld en het publiek zich te buiten zou gaan aan drank en andere westerse verdorvenheden.

Berbers is niet de taal van islam, zo moge duidelijk zijn, en het feit dat sommige Berbervoorlieden laten merken dat de islam niet tot hun culturele erfgoed behoort, maakt de verhoudingen er niet beter op.