Houd vooral een oogje op het grauw

Ze waren de machtigste mannen van de Nederlanden, maar ze stierven een gewelddadige dood op het Binnenhof. Wat zeggen de levens van Oldenbarnevelt en de broers De Witt over Nederland en Europa?

Is het toeval dat er bijna tegelijkertijd twee boeken verschijnen over de belangrijkste staatslieden van de Gouden Eeuw? Eigenlijk wel. Toch lijkt de hernieuwde belangstelling voor de `grote mannen' van de Republiek goed te passen in een cultureel klimaat waarin wordt terugverlangd naar de dagen dat ieder schoolkind wist dat 1600 het jaar van de slag bij Nieuwpoort was, en dat Nederland in het rampjaar 1672 `redeloos, radeloos en reddeloos' ten onder dreigde te gaan. Dat verlangen is niet alleen ingegeven door nostalgie; achter de roep om meer historisch besef schuilt ook een sterke behoefte om het verleden te actualiseren. Historici hebben daar wat ambivalente gevoelens over. Ze weten dat het projecteren van het verleden op het heden vaak op gespannen voet staat met de wetenschap, want wie in actuele discussies een beroep doet op het verleden doet dat meestal hoogst selectief. Maar als we het verleden niet op het heden betrekken, is het dan wel de moeite van het kennen waard?

Ben Knapen en Luc Panhuysen hebben beiden over dat probleem nagedacht, en hebben er ieder een verschillend antwoord op gegeven. De biografen hebben het een en ander gemeen; ze werkten allebei lang als journalist en voor beiden is het hun eerste boek over de Gouden Eeuw. Ze zijn erin geslaagd om de ingewikkelde rol van hun helden op een toegankelijke manier aan een publiek van niet-specialisten te presenteren. Ook hun onderwerpen laten zich goed vergelijken. Johan van Oldenbarnevelts officiële titel was landsadvocaat, Johan de Witt heette raadpensionaris, maar ze vervulden hetzelfde ambt. Beiden gaven leiding aan de Staten van Holland, de machtigste van de Zeven Provinciën, en bestuurden daardoor indirect ook de Republiek. Ze coördineerden er het buitenlands beleid, onderhandelden over oorlog en vrede, en gingen van tijd tot tijd zelfs mee op veldtocht.

In Den Haag leidden ze het complexe staatsbestel van de Republiek en sondeerden, onderhandelden, duwden en trokken net zo lang tot de vele stemhebbende partijen in de Staten van Holland en de Staten-Generaal tot gemeenschappelijke besluiten kwamen. Maar na lange en succesvolle carrières ging het tenslotte met beiden mis; allebei werden ze het slachtoffer van een politieke crisis die leidde tot beschuldigingen van verraad. Ze kwamen dramatisch aan hun eind. Na een omstreden politiek proces werd Oldenbarnevelt in 1619 in Den Haag onthoofd. Johan de Witt en zijn broer Cornelis werden op 20 augustus 1672 door de Haagse schutterij neergeschoten en vervolgens door een woedende menigte uiteengereten. Ook ritueel werd er afgerekend. Na Oldenbarnevelts executie doopten velen hun zakdoeken in zijn bloed; de lichamen van de De Witten werden gemutileerd, en hun lichaamsdelen werden rondgedragen, verkocht en zelfs opgegeten.

In beide gevallen was het een Oranje die over het drama presideerde. De architect van Oldenbarnevelts ondergang was stadhouder Maurits, met wie hij eerder jarenlang had samengewerkt. De menigte die Johan de Witt en zijn broer Cornelis vermoordde, zei te handelen in naam van de jonge stadhouder Willem III. De prins stak geen vinger uit om hen uit die droom te helpen. Geen wonder dat de beide Johans iconen werden van wat we de `staatsgezinde' partij in de Republiek noemen; vooral tijdens de patriottentijd aan het einde van de achttiende eeuw werden ze geactualiseerd en naar voren geschoven als martelaren van de strijd tegen Orangistische tirannie.

Knapens belangstelling voor de figuur van Oldenbarnevelt ontstond in zijn tijd als buitenlandcorrespondent van deze krant, toen hem de parallel trof tussen het ontstaan van de Republiek en het eenwordingsproces van Europa. Net als de Unie, merkte hij op, was de Republiek `geen federatie, geen confederatie, geen echte republiek en dus een geval apart, sui generis'. En net als de Europese Unie was de Republiek het onvoorziene product van een lang en onvoorspelbaar proces. De Staten-Generaal konden theoretisch alleen besluiten over oorlog en vrede en over de financiering daarvan. Op andere terreinen bleven de zeven gewesten autonoom, en omdat ze eigenlijk weinig met elkaar gemeen hadden was er veel potentieel voor conflict. In theorie waren alle gewesten gelijk, maar Holland betaalde de rekeningen en was daarom altijd machtiger dan de anderen. Ook de positie van de stadhouder was omstreden.

Het waren geen veelbelovende ingrediënten voor een eenwordingsproces, maar voor de afloop maakte dat minder uit. Knapen schrijft: `Het klopte niet, het was onlogisch, strijdig in zichzelf, het had anders gemoeten en het kon zo niet doorgaan, maar het werkte.' Dat het ging werken, zo laat Knapen zien, was goeddeels de verdienste van Oldenbarnevelt.

Knapens verhaal begint bij de chaotische situatie na de moord op Willem van Oranje, in 1584, die in de jonge Republiek de rol van sterke man had vervuld. Zijn zoon Maurits was pas zestien en had nog geen enkele politieke ervaring. Het was een jonge jurist uit Amersfoort, Johan van Oldenbarnevelt, die in dit gat sprong. Hoewel de jonge Johan graag gewag maakte van zijn adellijke afkomst, waren zijn aanspraken daarop hoogst dubieus. Zijn ouders waren niet armlastig, maar zijn vader stond bekend als `Gerritje slecht (=simpel)' en hoewel Johan had gestudeerd, moest hij zijn eigen weg banen. De Opstand bood hem daartoe de kans. In 1584 was hij al pensionaris van Rotterdam; zijn benoeming tot landsadvocaat volgde in begin 1586.

De functie van landsadvocaat was tot dan toe nog een `dienende en ambtelijke' geweest, maar Oldenbarnevelt wilde het anders. Hij slaagde erin de rol veel zwaarder te maken en een vorm te geven die hem zowel toestond om Hollandse belangen te dienen als zich op te werpen als de belangrijkste vertegenwoordiger van de gemene zaak. Oldenbarnevelt reorganiseerde de financiering van de oorlog tegen Spanje en werd de mentor van de jonge Maurits. Hij zorgde dat die werd verkozen tot stadhouder in de meeste Nederlandse gewesten en gezamenlijk legden ze de basis onder een decennium van militaire successen en economische groei.

Maar al in 1600 werden de scheuren zichtbaar. Maurits vertrouwen in de landsadvocaat liep grote klappen op toen deze aandrong op een campagne om Ostende te veroveren. De ene, veelbezongen, overwinning bij Nieuwpoort kon niet verhullen dat dat een onbezonnen plan was. De relatie werd niet beter in het decennium dat erop volgde. Vredesonderhandelingen brachten aan het licht hoe verdeeld de Republiek was; er was zoveel verzet dat Oldenbarnevelt er uiteindelijk niet meer uit kon slepen dan een Twaalfjarig Bestand, dat in 1609 inging. Ook voor Maurits, wiens machtspositie vooral gebaseerd was op zijn positie als kapitein-generaal van het Staatse leger, was vrede niet noodzakelijkerwijs goed nieuws.

Dit alles maakte de landsadvocaat kwetsbaar toen zich een binnenlands politiek probleem aandiende. Een geleerdenruzie over het theologische vraagstuk van de dubbele predestinatie verspreidde zich eerst als een olievlek in de gereformeerde kerken in de Republiek, en werd rond 1610 een kwestie met belangrijke constitutionele dimensies. Kon Holland in deze religieuze aangelegenheid zijn eigen beleid varen en de kerk dwingen om ook `remonstrantse' predikanten te accepteren, zoals Oldenbarnevelt geloofde, of oversteeg dit de gewestelijke bevoegdheden?

De gemoederen liepen al spoedig enorm hoog op. Knapen beklemtoont dat Oldenbarnevelt in dit conflict steeds het compromis zocht, en de zaak niet bewust op de spits dreef. Hij insisteerde echter wel voortdurend op Hollands recht om een eigen koers te volgen, wat in de Nederlandse praktijk betekende dat Holland zijn koers opdrong aan de andere gewesten. Knapen onderschat misschien het ressentiment dat juist dit veroorzaakte. Hoe het ook zij, in de gespannen situatie was Maurits' keuze voor het `contraremonstrantse' kamp in 1617 een beslissende stap, die Oldenbarnevelts lot zou bezegelen. De diplomatieke manoeuvres die Oldenbarnevelt tijdens de onderhandelingen over het bestand had moeten uithalen werden nu aangevoerd als een bewijs van kwade trouw; praktijken die wellicht niet verstandig, maar door tijdgenoten toch alom geaccepteerd waren, werden nu aangehaald als bewijs van corruptie. Misschien had hij gratie kunnen krijgen, maar de oude man weigerde zich te vernederen voor Maurits en betaalde daarvoor de hoogste prijs.

Knapen heeft voor dit boek geen eigen archiefonderzoek verricht; veel van de bronnen zijn gepubliceerd, en bieden samen met de vijf kloeke maar moeilijk leesbare delen die Jan Den Tex in de jaren zestig over Oldenbarnevelt publiceerde, een afdoende basis voor de analyse die hij op het oog had. Hij heeft niet geprobeerd om Oldenbarnevelt te romantiseren of te psychologiseren en dat is verstandig; de historicus kan hem maar zelden op een emotie betrappen. In plaats daarvan biedt Knapen een heldere, zakelijke analyse van de manier waarop Oldenbarnevelt politiek opereerde, op binnenlands en vooral ook op buitenlands vlak. Van die analyse kunnen we wat leren, zegt Knapen: `Oldenbarnevelt heeft laten zien hoe een staat wordt gemaakt – onvolkomen, vol improvisaties, maar in een bedding van tolerantie. Dat geeft context nu we opnieuw leven in een tijd dat de vertrouwde staat geen zekerheid meer biedt en nieuwe Europese constructies onvolkomen blijven en vol van improvisaties'. Knapen had die parallellen zelfs misschien nog kunnen doortrekken. Net als de lidstaten van de Europese Unie waren de Nederlandse gewesten en elites in de Republiek geneigd om goed nieuws zoveel mogelijk op hun eigen conto te schrijven, maar slecht nieuws te wijten aan de krachten in het centrum. Dat werd daarmee een makkelijk doelwit voor allerlei onderbuikgevoelens. Net als de Europese Unie vond Oldenbarnevelt daarop geen antwoord; hij bleek uiteindelijk weerloos tegen het optreden van een `sterke man' die zich opwierp als de belichaming van kerk en vaderland.

Ook Luc Panhuysen wekt een klassiek onderwerp tot nieuw leven maar hij actualiseert in de eerste plaats door er erg mooi over te vertellen; dat was ongetwijfeld ook wat zijn opdrachtgever, de Dordtse academie, voor ogen heeft gestaan. Het was een goede beslissing in dit boek niet alleen Johan maar juist beide broers tot onderwerp te nemen. Cornelis' carrière als stadsbestuurder van Dordrecht en `ruwaard' van Putten brengt ons dichter bij de lokale dimensies van het politieke bedrijf in de Republiek, terwijl zijn militaire rol als gedeputeerde op de vloot ons een blik gunt op de militaire gevaren waarin de Republiek zich onder Johans leiding begaf.

Waar Knapen kiest voor terughoudendheid schuwt Panhuysen geen enkel middel om ook de persoonlijke wereld van de broers tot leven te brengen. Hij besteedt veel aandacht aan hun klassieke scholing en het ideaal van stoïcijnse onbewogenheid dat hierin werd aangereikt; Cornelis zou nog op de pijnbank Horatius citeren. Op basis van rekeningen reconstrueert hij het huiselijk leven van de broers, en kan zo laten zien wat een verschil in levensstijl de entree van zijn vrouw Wendela Bicker in Johans leven betekende. Hij maakt knap gebruik van de vier onheilspellende dromen die Cornelis' vrouw Maria optekende, en tovert materiaal uit brieven om tot sfeervolle schetsen. Zijn verhaal is meeslepend, dramatisch en in de laatste hoofdstukken ook buitengewoon spannend.

Terwijl Oldenbarnevelt had gefungeerd als de kingmaker voor Maurits, was de carrière van de beide broers De Witt van meet af aan getekend door oppositie tegen de Oranjes. Hun vader was een van de `Loevesteiners', de Hollandse regenten die in 1650 gevangen waren gezet door stadhouder Willem II toen die in conflict was geraakt met de Staten van Holland over de financiering van het leger. Willem stierf kort daarop, en dat maakte de rehabilitatie van de familie en de bliksemcarrières van de broers mogelijk. `De Ware Vrijheid', het regentenregime zonder stadhouder dat de broers voorstonden, bleef echter kwetsbaar. Natuurlijk, Johan bleek een knap raadpensionaris en onvermoeibaar meester in het politieke spel, die er in slaagde de Republiek bijeen te houden, de vloot om te smeden in een machtig oorlogswapen, en het diplomatieke spel meestal nauwkeurig in de gaten te houden. Maar het Oranjekind dat kort na het overlijden van zijn vader was geboren en formeel van de macht was uitgesloten, kon zich toch ontwikkelen tot de belichaming van de oppositie tegen Johans regime en Hollands dominantie in de Republiek.

Hoewel Panhuysen veel aandacht besteedt aan Johans relatie met Willem III zelf, verzuimt hij te analyseren wat diens aanhang nu eigenlijk bezielde. Het `grauw' dat van tijd tot tijd burgemeesterswoningen plunderde, de predikanten die het regentenregime verketterden, de dronken mannen die het `Vive le prince d'Orange' door de straten lieten schallen, duiken steeds opnieuw in het boek op, maar Panhuysen benadert ze zoals Johan en Cornelis het zelf deden, als een redeloze, ongestuurde kracht, die door `aristocraten' wel moest worden bedwongen, maar die vooral niet al te serieus moest worden genomen.

Net als Oldenbarnevelt, en net als onze bestuurders in Brussel, besteedden de broers misschien zoveel aandacht aan het op één lijn houden van de officiële vertegenwoordigers van de vele belanghebbende partijen in het centrum, dat ze vergaten zich af te vragen of die zelf nog wel greep hadden op hun achterban. In het crisisjaar 1672, waarin de Republiek onder de voet werd gelopen door Franse troepen, bleek dat een fatale misrekening.

Het is mooi dat het verhaal van drie van de meest fascinerende figuren uit de Gouden Eeuw voor een groot en nieuw publiek is `hertaald'. Beide auteurs laten wel eens een feitelijk steekje vallen, en in de vaktijdschriften zal daaraan nog wel de nodige aandacht worden besteed. Maar interessanter is dat deze boeken ons lijken te wijzen op een hiaat in onze kennis van de Gouden Eeuw. De politieke wereld van de Republiek werd niet alleen gemaakt door `grote mannen', door raadpensionarissen en stadhouders; het was de schijnbaar diffuse massa van lokale bestuurders, predikanten en woedende menigtes die, in laatste instantie, het politieke lot van die grote mannen bezegelde. Historici zouden er goed aan doen meer aandacht te besteden aan het grauw en zijn leiders. En, wie weet, misschien zouden ook politici daar nog wat van kunnen leren.

Ben Knapen: De man en zijn staat. Johan van Oldenbarnevelt, 1547-1619. Bert Bakker, 367 blz. €29,90

Luc Panhuysen: De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt. Atlas, 526 blz. €37,50

Tot 15 januari 2006 is in het Dordrechts Museum de tentoonstelling `Gebroeders De Witt – Macht en onmacht in de Gouden Eeuw' te zien, met gerestaureerde portretten van de broers en hun ouders