Heerlijk tegen een zuil aan schuren

De Amerikaanse activiste Andrea Fraser treedt in performances en teksten op als museale rondleidster, critica en kunstenaar. Ze legt de machtsverhoudingen binnen de kunstwereld bloot. Maar ontkomt ze daar zelf wel aan?

De Amerikaanse kunstenaar Andrea Fraser definieert haar werk als institutional critique. Zij bekritiseert musea en andere gevestigde kunstinstituties, met als doel het blootleggen van de machtsverhoudingen binnen de kunstwereld en van de manier waarop aan kunstwerken waarde wordt toegekend. Musea zijn, volgens Fraser, de belichaming van de conventionele, gevestigde orde, omdat ze optreden als de bewakers van een kunsthistorische en culturele canon. Daarmee is het museum de tegenpool van de levende kunstpraktijk, die juist gericht is op openheid en experiment. En dat niet alleen: de culturele canon die door de musea in stand wordt gehouden, sluit degenen die door gebrek aan opleiding of door etnische afkomst geen deel hebben aan die canon, per definitie uit. Frasers belangrijkste drijfveer moet het gevoel van onrechtvaardigheid zijn over dit uitsluiten van sociale groeperingen. Fraser is als kunstenaar in feite een activist. Zij beschouwt het als de taak van de kunstenaar om in te grijpen in de structuur van culturele, sociale en economische verhoudingen.

Haar werk bestaat uit scripted performances (performances met nauwkeurig volgens een script uitgesproken teksten), die op video worden vastgelegd en daarna als videowerk voortbestaan, en uit op zichzelf staande, geschreven teksten. Een groot aantal teksten uit de periode 1985-2003 is nu gebundeld in Museum Highlights, The writings of Andrea Fraser. Ze variëren van lezingen die lijken op wetenschappelijke, academische voordrachten compleet met citaten en voetnoten (zoals `An Artist's Statement', gehouden aan de Jan van Eyck Akademie in Maastricht in 1992) en serieuze kunstkritische artikelen, tot een geschreven rondleiding door een museum of een openingsspeech bij een tentoonstelling van haar eigen werk. Al deze teksten en voordrachten, die stilistisch sterk uiteenlopen, zijn evenzovele `rituelen van erkenning en inlijving', in de woorden van Fraser.

Exces

Fraser gebruikt een strategie van overdrijving, van exces, waarbij zij zich de retoriek van de musea toeëigent, analyseert en tenslotte opblaast. Dit kan gebeuren op een lichtvoetige en hilarische manier, zoals in `Isn't this a wonderful place? A tour of a Tour the Guggenheim Bilbao'. Fraser figureert hier als een willekeurige bezoeker van het Guggenheim museum in Bilbao. De tekst van de officiële audiotour is als voice over onder de video gemonteerd. We zien Fraser in een kort jurkje rondlopen door de hal van het museum, te midden van andere bezoekers, het geluidsapparaat aan haar oor. Zij volgt de audio-aanwijzigen op. De mannenstem vraagt `Isn't this a wonderful place?' Hij legt uit dat de hal een soort gotische kathedraal is, de bezoeker `voelt zijn ziel hoog opstijgen in het gebouw'. Dit museum gaat, in tegenstelling tot oudere musea, over vrijheid, het wil dat je je thuis voelt en je ontspant, aldus de stem. Fraser ontspant zienderogen en kijkt gelukzalig om zich heen. Aangespoord door de mannenstem betast zij de `sensuele curven van een met steen beklede zuil' en laat zich uiteindelijk, zich aanschurend tegen de zuil, volledig gaan. Wanneer zij de tour vervolgt, zien we hoe andere museumbezoekers, die met open mond naar Fraser hebben staan kijken, aarzelend dezelfde zuil betasten.

De meeste performances van Fraser zijn echter serieuzer van aard. Er gaat minstens een jaar research vooraf aan een werk over een bepaald instituut. Daarbij zoekt Fraser steeds naar de barsten in het officiële imago dat een museum van zichzelf ophoudt. In `Welcome to the Wadsworth' (1991) bijvoorbeeld treedt zij op als museumgids in het Wadsworth Atheneum, een museum voor vooral negentiende-eeuwse, Amerikaanse kunst en koloniale geschiedenis, in de upper middle class stad Hartford (New England). De tekst bestaat grotendeels uit citaten uit archiefmateriaal van het museum, die zij verweeft met een fictieve geschiedenis over haar jeugd in Hartford. Zij presenteert zichzelf als `dochter van de Amerikaanse Revolutie' én van een moeder die jong weduwe was en die haar opvoedde in `de liefde voor mooie meubels en kunst' en in de sociale mythen over de tijden van weleer in dit burgerlijke, protestantse deel van Amerika.

Suburbs

Gaandeweg wordt duidelijk dat diezelfde geprivilegieerde burgers die zo trots zijn op hun Wadsworth en op hun verleden, de stad inmiddels hebben verlaten, omdat ze de voorkeur gaven aan de uitgestrekte suburbs. Hiertoe haalt Fraser uitspraken van hen aan uit reportages in de lokale kranten over de sociale misstanden in de inmiddels verpauperde, multiculturele stad. Zoals: `De stad is vuil en vol en vol met misdaad en ik ben blij dat ik daar nu niet meer mee te maken heb'. Of: `Huizeneigenaren zouden het recht moeten hebben om te bepalen wie er in hun buurt woont en wie er naar hun scholen gaat.' Fraser laat feilloos zien dat het glorieuze beeld van de geschiedenis zoals dat door het museum van Wadsworth wordt gepresenteerd ver verwijderd is van de hedendaagse sociale realiteit.

Frasers kritiek reikt verder dan alleen de kunstinstituten. Haar pijlen richten zich ook op de manier waarop kunstenaars functioneren in onze maatschappij, op de rolmodellen die de maatschappij aan kunstenaars oplegt, en waar de meeste kunstenaars maar al te graag aan voldoen. Daarbij neemt zij ook zichzelf op de hak. Zo voert zij met de performance `Official Welcome' op briljante wijze een fictief tweegesprek op, waarbij Fraser optreedt als kunstenaar en als supporter. De supporter wisselt van rol, van kunstverzamelaar, museumdirecteur en tentoonstellingsmaker tot criticus. Ook de kunstenaar wisselt van gedaante, van de pseudo-intellectuele, welbespraakte, gewichtige mannelijke kunstenaar en de stotterende nobele wilde, tot de de militant-feministische, exhibitionistische vrouwelijke kunstenaar. `Official Welcome' bestaat van begin tot eind uit citaten van big shots in de kunstkritiek zoals Benjamin Buchloh en Katy Siegel, medekunstenaars als Thomas Hirschhorn, de brutale feministische kunstenaars Tracey Emin en Nan Goldin, en van beroemde verzamelaars, galeriehouders en museumdirecteuren. De citaten zijn verantwoord in een notenapparaat.

Fraser noemt zichzelf een highschool drop out en een autodidact. Ze maakte de kunstacademie niet af, al volgde ze wel het Whitney Independent Studies Program. Het verklaart voor een deel haar fascinatie voor highbrow kunstteksten, voor academisch onderzoek, voor citaten en voetnoten, en voor taal in het algemeen. In een hommage aan socioloog en cultuurcriticus Pierre Bourdieu, wiens gedachtegoed als een rode draad door Frasers boek loopt, schrijft zij dat Bourdieu haar bevrijd heeft van een gevoel van `onwettelijkheid'. Deze onwettelijkheid, door Bourdieu ook `symbolisch geweld' genoemd, wordt door de officiële cultuur opgelegd aan degenen die geen opleiding of diploma hebben. Dat Fraser zich van deze ontwettelijkheid inderdaad heeft weten te bevrijden, mag blijken uit het feit dat zij haar teksten publiceert in `zware' kunsttheoretische tijdschriften als October en Texte zur Kunst.

Prachtig is het artikel over Allan McCollum, getiteld `Creativity = Capital?' (in 1986 gepubliceerd als tekst bij een tentoonstelling van McCollum). McCollum definieert zijn werk als `stiptheidsactie'. Zorgvuldig zet Fraser uiteen wat hij hiermee bedoelt, en welke consequenties dit heeft voor zijn positie als beeldend kunstenaar. McCollum reduceert zijn werk tot het produceren van unieke kunstwerken in de beperkste zin van het woord. Zijn objecten die op lege, witte schilderijen lijken, met steeds een ander formaat én met zijn signatuur, vertegenwoordigen het absolute minimum aan artistieke arbeid.

Arbeiders weigeren met stiptheidsacties om hun werkgever het geschenk van hun surplus aan arbeid te geven. Dit is het `teveel' aan arbeid dat verricht wordt zonder compensatie en dus uit vrije wil. Het surplus aan arbeid symboliseert de vrijheid om te werken, een vrijheid die, volgens Marx, door de werkgever wordt gekocht. Met zijn stiptheidsactie zet McCollum vraagtekens bij het ogenschijnlijke privilege van vrijheid dat kunstenaars genieten in betrekking tot hun arbeid.

Dienstverlening

In het verlengde hiervan definieert Fraser het werk van de kunstenaar ook als artistieke dienstverlening. Artistieke dienstverlening is `arbeid die meer is dan, of onafhankelijk van, enige specifieke materiële produktie en die niet verhandeld kan worden als of samen met een product.' Onder dit soort arbeid vallen immateriële kunstvormen zoals performance, onderzoek of voorstellen voor opdrachten, de presentatie en installatie van kunstobjecten, en activiteiten voor de gemeenschap waarbij kunstenaars met publiek te maken hebben. Veel hedendaagse kunstenaars zullen zich hierin herkennen: dit is het werk waaruit hun praktijk goeddeels bestaat en dat niet als werk wordt erkend en waarvoor zij dus nauwelijks worden vergoed.

Uit Frasers werk spreekt een groot engagement. Haar artikelen zijn, ongeacht het genre, helder geschreven en goed onderbouwd, en de analyses zijn even scherp als geestig. Toch is haar kunstenaarschap niet zonder dilemma's. Het is bijvoorbeeld de vraag of Fraser, die het normatieve waardensysteem van de kunstwereld bestrijdt, zal weten te voorkomen dat zijzelf tot instituut wordt (het is al gebeurd: de prestigieuze uitgave van haar teksten bij MIT Press is er het bewijs van). Zij wordt dan, op haar beurt, net zo goed ingezet in de kunstcompetitie die zij juist wil vermijden. Fraser erkent dat dit dilemma onoplosbaar is in `It's art when I say it's art, or ...' (een tekst over het genre van het artistieke manifest).

Een ander dilemma is het feit dat haar imitaties van situaties in de kunstwereld zó perfect zijn en haar fantasie zó levensecht, dat je je steeds afvraagt wat nou werkelijkheid is en wat niet. Is de inhoud van sommige teksten oprecht of een parafrase? En dat is nou net de dubbelzinnigheid waarin haar werk verschilt van `gewone' teksten. Eigenlijk doet Fraser voortdurend aan zelfreflectie, in de rol van rondleidster, van criticus en van kunstenaar. En dan is het verfrissend te zien en te lezen hoe ze de betrokken partijen, inclusief zichzelf, zo genadeloos een spiegel voor houdt.

Andrea Fraser: Museum Highlights – The writings of Andrea Fraser. MIT Press, 291 blz. €39,50