Een chique huppeltje

En daar staat ze dan. Een van de oudste vrouwen die in dit boek voorkomt: de Franse schrijfster Marguerite Duras (1914-1996). Ze draagt een soort cowboy-blouse, een kort rokje en parmantige laarsjes. Even frunnikt ze aan dat rokje, alsof ze bij zo'n blouse altijd gewoon een comfortabele broek draagt en nu ineens eleganter moet lijken dan ze is. Duras heeft wel lol in die fotosessie, zo lijkt het. Haar hoofd verschuilt ze als een verlegen schoolmeisje tussen schouders, alsof ze zich afvraagt `wat doe ik in vredesnaam in deze outfit voor de lens'. Haar vingers staan krom, haar gezicht is verfomfaaid door liefde, verdriet, drank en nicotine en aan haar kapsel viel ook niet veel meer op te knappen.

Duras is uniek in Women in the Mirror, het kolossale fotoboek dat de Amerikaanse topfotograaf Richard Avedon (1923-2004) kort voor zijn dood vorig jaar nog heeft samengesteld, met zo'n tweehonderd zwartwitopnamen van vrouwen uit de periode 1946-2004. Uniek in die zin dat Duras zichzelf niet zo serieus neemt en dat ze zich als Grande Dame zo onbeholpen durft bloot te geven. Veel vrouwen in dit boek doen het tegenovergestelde: ze poseren om te imponeren, en dat wordt van sterren en fotomodellen ook verwacht, want het publiek laaft zich nu eenmaal graag aan demonstratieve paardenlef. De enige man die Avedon in het boek opnam, in travestie, maakt het in dat opzicht nog bonter dan de vrouwen: Elton John, als een kerstboom behangen met glitterstuff en als een diva gehuld in een stretch Versace-jurk. Hij haalt als een bokser uit naar Avedons camera. En dat is effectief: je blik kleeft net even iets langer aan dat agressieve, paddige lijf, omdat het er tussen zoveel schoonheid direct uitspringt.

Avedon, kind van Russisch-joodse immigranten, werkte als mode- en portretfotograaf decennia lang voor Vogue en Harper's Bazaar en veel korter The New Yorker. Toen hij begon was Parijs nog het centrum van de wereld, zodat veel haute couture tegen het decor van die stad gepresenteerd werd. Dol op straat- en nieuwsfotografie ensceneerde hij de nu nostalgisch ogende elegantie van Patou, Lavin en Dior als newsy-achtige taferelen – in het casino, in het café, bij de Folies Bergères, tijdens een relletje in Maxim's en zelfs op de trappen van een ziekenhuis. Later beperkte Avedon zich liever tot zijn grijzige studio in New York, waar zijn modellen tegen een lege achtergrond als vlinders de zwaartekracht trotseren, alsof de verworven vrijheden van de jaren zestig in spontaan dartelen en huppelen tot uitdrukking moesten worden gebracht. Maar dan wel een koket gedartel en een chique huppeltje, want `sophisticated' wilde hij wel bijven. Hoewel Avedon tussen de modebedrijven door altijd wel protretten had gemaakt – van Katherine Hepburn en Maria Callas tot Rose Kennedy en Janis Joplin – besloot hij in de jaren tachtig de kledingwereld als `silly thing' voor gezien te houden en zich volledig te richten op de portretfotografie. Dat is niet helemaal gelukt. Om de haverklap verschijnen er toch weer mode-redacteuren, mode-ontwerpers en andere mode-freaks ten tonele, want vooral in die kringen telde je pas mee als Avedon je belicht had. En als zoon van een vader met een kledingzaak zal de fotograaf zelf ook wel een zwak voor deze bedrijfstak hebben gehouden.

In haar lange essay in Woman in the Mirror stelt kunsthistorica en -critica Anne Hollander dat Avedon de vrouw niet ondergeschikt maakte aan de creatie die ze moest afficheren en dat hij een soort visueel feminisme uitdroeg. Dat facet valt inderdaad op: Avedons vrouwen zijn sterk, onafhankelijk, alsof ze allang lak hadden aan het adagium van Coco Chanel `A woman without perfume has no future' – dat maakten ze zelf wel uit. Soms overdrijft Hollander een beetje als ze verbanden legt tussen een treurige opname van Marilyn Monroe en de werkwijze van Goya, tussen de zijden wervelingen waarin Avedons favoriete model Dovima in fladdert, en het monumentale 17de-eeuwse schilderij van de heilige Casilda van Francisco de Zurbarán. Maar de kunsthistorische parallel is ook wel eens raak getroffen, want portretten van `artistocrats' als Marella Agnelli en Gloria Vanderbilt doen inderdaad denken aan de sobere, onverbiddelijke en tijdloze allure van adellijke portretten uit de Italiaanse renaissance.

Nu zou je kunnen denken dat Avedon zich als een Cecil Beaton of Lord Snowdon alleen maar associeerde met de `happy few', gezegend met schoonheid, talent, roem en geld. Vermoedelijk betrapte hij zichzelf al op die dreigende tunnelvisie. Tussen 1979 en 1985 ging hij doen wat August Sander (1876-1964) in zijn serie Menschen des 20. Jahrhundert in Duitsland had gedaan: `doodgewone' Amerikanen fotograferen die moesten werken voor hun geld en nog nooit een haute couture-jurkje van dichtbij hadden gezien. Ook die vrouwen staan in dit boek afgebeeld, wederom tegen een lege achtergrond. Het moet de standvastige liefde voor de vrouwelijke sexe zijn dat Avedon ze net zo sterk en innemend wist af te beelden als zijn favoriete fotomodel.

Richard Avedon: Woman in the Mirror. Abrams, 245 blz. €60,–