Een aangename ziekte

In een serie over de eigenaardigheden van het Verenigd Koninkrijk schrijft Benno Barnard over zijn anglofilie. Deze week aflevering 1: de literator Matthew Arnold, `every inch een negentiende-eeuwer.'

Het moment waarop de ferry zich losmaakt van het vasteland om de eenentwintig mijl naar Engeland af te leggen, is een mythisch tijdstip, een klok die slaat in mijn vroegste herinneringen, een siddering die door een kolossale hoeveelheid ijzer gaat, talloze malen herhaald, altijd identiek gebleven: een ritueel uit mijn persoonlijke bijgeloof, waarvan de belangrijkste leerstelling luidt dat Engeland een geweldig land is.

Bij de afvaart hoort aan dek staan, het beetje dek dat de rederij heeft opengelaten op dit drijvende stuk overconsumptie, dat een aanfluiting van de Herinnerde Boot is – en nu kun je het cartesiaanse, heldere, nabije Frankrijk en zijn witte overkant tegelijkertijd zien. Intussen dalen je gedachten de trap af naar Car Deck 5, Red Stairs, waar je auto meereist, door Joy en jou volgepropt met kleren, boeken, kinderspeelgoed en dozen vol troep, en een soort autonome paniek sist dat je behoorlijk wat kunt vergeten als je voor een jaar afreist. Maar je hoeft je geen zorgen te maken, het blijft een zomer in de jaren zestig, het pond is zijn onbegrijpelijke twaalfdelige zelf, en de treinconducteur spreekt je moeder straks met `mum' aan. Zij heeft je spullen gepakt. Je vader geeft je een shilling voor thee met melk in een kopje.

De aflandige wind is te zwak om schuim in mijn gezicht te blazen, wat een bonus is van dramatischer weersomstandigheden, die een koffie met croissant binnen vijf minuten via je ingewanden naar een papieren zakje kunnen overhevelen. Voltaire beweert ergens dat de Engelsen van de oostenwind melancholiek worden en zich in november en maart met dozijnen tegelijk ophangen. Daar heb ik nooit iets van gemerkt. Weliswaar werd Karel I bij oostenwind onthoofd en Jacobus II bij oostenwind afgezet, maar dat was voor mijn tijd.

Aan bakboord heeft een mislukt politiek experiment waanzinnige hompen beton op het strand gestort, brokken gekte, waaruit getormenteerd metaal naar de einder steekt: resten Atlantikwall bij Cap Gris-Nez. Nu begint de boot zijn steven naar de overkant te wenden, naar de geruststellende aanblik van de witte klippen, en hoe intenser ik daarnaar kijk, hoe meer Engeland op een grote meringue begint te lijken, opaalkleurig in het septemberzonlicht, dat zich vanachter fantastische wolkenformaties op het kalksteen bij Dover stort.

Ik vaar naar het westen, en dat wekt oeroude gevoelens, daterend van lang voor mijn particuliere bestaan. In mijn passage gaan duizenden passages schuil, om te beginnen die van mijn verwekker, die kort na de oorlog Engeland ontdekte en daarbij, zodra hij voet aan wal zette, door de eilandbodem werd geëlektriseerd: met grote stelligheid besloot hij dat ons geslacht hier vandaan kwam, dat hier de etymologie van onze eigenaardige familienaam gezocht moest worden – dat ene secondefragment in 1948, zes jaar voor mijn geboorte, was de kiemcel van mijn intieme mythe, het verhaal dat mijn leven draagt. Sinds mijn puberteit vertel ik mezelf dat wij atavistische Engelsen zijn (het woord `atavistisch' ontdekte ik bij Du Perron, die zichzelf `een atavistiese Fransman' noemde), waarmee ik overigens geen mensen met een bolhoed en een geremd gevoelsleven bedoel: dat zijn Gallische karikaturen, geboren uit onbegrip en afgunst. Mijn genealogische romance is trouwens minder fantastisch dan zij klinkt, er is een achttiende-eeuwse schim uit Worcestershire die naar de positie van laatste (of eerste) Engelse voorvader dingt; en voor de rest is de vraag `of een en ander in historisch opzicht ook klopt' nogal kleinburgerlijk. Veel belangrijker is datgene wat ik niet spelen kan: de ervaring dat er een Engelsheid bestaat die met de bewuste en onbewuste essentie van mijn karakter overeenkomt.

Ondertussen waren er in de eeuw voor mijn vader baardige heren, die op pakketboten voor een gienje naar Dover stoomden en/of zeilden, al dan niet met hun paard aan boord; en zo kun je langs de tijdsbalk helemaal terugfantaseren naar de Kelten, die in hetzelfde Nauw rondploeterden dat vandaag een supermarkt annex gokhal van de firma P&O draagt. De gevoelens van lang voor mijn eigen leven, die elke overtocht in mij losmaken, zijn primitief en bijgevolg krachtig; ik associeer ze met grote woorden, die ik weer met het werk van Jung in verband breng: Westen, Zonsondergang, Poorten van het Dodenrijk. Maar achter de einder, het einde, die omineuze plek waar de zon stierf, bleek dus opnieuw land te liggen, een hele nieuwe wereld, en de late middeleeuwers die de eerste geruchten daarvan opvingen, moeten nogal geschokt zijn geweest. Omdat ik graag deel uitmaak van een groter, enigszins bezield verband, stemt het me tot cultuurhistorische tevredenheid dat Joy uit Amerika komt.

Achter het schip aan zweven de meeuwen, die mystieke boodschappen over het Al bij zich hebben; de slimste krijst dat hij Nooteboom heeft gelezen. Maar er is ook een gevleugeld citaat van Matthew Arnold bij:

() The cliffs of England stand,

Glimmering and vast, out in the tranquil bay.

Dat komt uit `Dover Beach', wat een opdringerig gedicht is, dat me bij iedere overtocht weer vergezelt, woorden die meeuw zijn geworden, de meeuw Matthew: hoeveel gedachten je hem ook voert, hij blijft maar tegen je trommelvlies bezig. En dus ga ik naar binnen, waar Joy naar een film over de zee op het panoramische boegraam zit te kijken. Mijn kinderen, vanmorgen nog opgewonden dat ze naar Engeland verhuisden, een land waar de mensen hun moeders taal spreken, zitten er met hun rug naar toe en kijken naar hun eigen mythe op video.

Natuurlijk heb ik een hekel aan andere anglofielen. Engeland is Barnardland. O, die onuitstaanbare Pickwick Club van gepensioneerde leraren Engels! Ze vinden John Cleese geestig en wit fabrieksbrood met komkommerschijfjes zalig. Thuis in Capelle aan den IJssel tillen ze de theemuts (versierd met een scène uit het stripverhaal van Bayeux) zo schroomvallig van de theepot, alsof ze het warme onderlijf van koningin Victoria ontbloten. En dan zwijg ik nog van die irritante gewoonte om in hun gedweep met de Angelsaksische literatuur de inferioriteit van de Nederlandse te beklemtonen.

Mijn eigen anglofilie is een aangename ziekte, voornamelijk mild-nostalgisch van aard. Ik zal wel heimwee hebben naar mijn kindertijd, ongetwijfeld; maar ik ben toch vooral geïnteresseerd in bepaalde periodes uit de Engelse geschiedenis, zoals het bewind van Edward VII (1901-1910). De naglans van de belle époque, als van goed opgewreven schoenen, is dan nog niet verdoft, terwijl telefoongesprekken al mogelijk zijn, zij het in een soort driehoeksverhouding met een juffrouw achter een schakelbord; en de automobiel is voorlopig nog het opwindende nieuwe speelgoed van de welgestelden, die zich voor een ritje uitdossen met een lederen kap en een stofbril, zoals ze zich ook voor het souper verkleden. Deze voorliefde kan men gerust als een beminnelijke zwakte opvatten. Anderzijds koester ik ook twijfelachtige gevoelens, van angloseksuele aard om zo te zeggen. Ik ben bijvoorbeeld een liefhebber van het Engelse décolleté, in het bijzonder als pronkstuk van een jonge vrouw uit de arbeidersklasse. Als ik een familiewapen moest ontwerpen, zou ik een tweekoppige beer kiezen (ooit, in de Germaanse wouden, moet mijn achternaam als `berenhart' hebben geklonken). Mijn heraldische ik zou een Bommel en een National Geographic-exemplaar in één beer zijn.

Er is dus weinig rationeels aan mijn liefde. Ik heb trouwens een objectieve afkeer van alle verwerpelijke aspecten van de Engelse samenleving. Dat zijn er nogal wat, zoals algemeen bekend. De gezondheidszorg is weliswaar gratis, maar gegeven de kwaliteit ervan is dat nog aan de dure kant. Het bejaarde echtpaar George en Gertrude Bates stierf in de koude winter van 2003 doordat British Gas de toevoer had afgesneden, wegens een openstaande schuld van 140 pond. Het spoorwegnet verkeert in een deplorabele toestand en de treinen zijn onbetaalbaar. Scholieren volgen jaren Franse les, maar zijn op hun achttiende niet in staat om zich aan de overkant van het Kanaal voor te stellen. Het voetbalcommentaar is van een bittere ernst en wordt meestal geleverd door iemand die geboren is in een niet-residentiële wijk van Glasgow of Belfast, wat tot onverstaanbaarheid in de tweede macht leidt. Enzovoorts. Overigens bestaat er ook zoiets als een buitengewoon Engelse afkeer van Engeland. `Best een mooi land', zei een Antwerps-Engelse vriend tegen me. `Ze moesten het alleen naar de Middellandse Zee slepen. En alle Britten van de klippen gooien.'

Liefde dus. Om te beginnen voor de kaart van de Britse Eilanden die veertig jaar geleden boven mijn bed hing. Nog altijd ontroert de grafische schoonheid van die grillige grens met de zee me, en ik kan niet naar een kaart van Groot-Brittannië kijken zonder terug te keren in mijn eigen ontvankelijke tienjarigheid. En uit de geografie vloeit dat ondefinieerbare voort, het eilandbewustzijn, dat me op straat of bij Woolworth soms zomaar overvalt, de dizzy makende wetenschap dat ik nooit verder van de zee verwijderd kan zijn dan een mijl of zeventig – en zo krachtig is die sensatie dat ik op hetzelfde ogenblik naar de kust bij Dover kijk en zie dat het eiland niet staat, zoals Matthew Arnold schrijft, maar in het grote Atlantische vruchtwater ronddrijft.

En dan de mijl. Tot mijn liefde, of liefdes, behoort ook dit restant van het schijnbaar onlogische imperiale systeem van meten en wegen, dat evenwel geworteld was in de realiteit van de menselijke duim, voet, ellepijp, in de hoeveelheid land die op een ochtend geploegd kon worden, in het okshoofd, het biervat, de voetstap. De mijl, de mille passus van de Romeinen, duizend voetstappen, lijkt me een gepaste eenheid van afstand voor een land waar je te voet niet vanaf kunt.

Engeland zelf, Schotland en Wales niet meegerekend, is vier keer zo groot als België, verrassend klein eigenlijk. Er wonen vijftig miljoen mensen: het is dus dichter bevolkt dan België en bijna even dicht als Vlaanderen. Dankzij het Engelse genie voor ruimtelijke ordening zou je dat niet zeggen. En Engeland is enorm veel groter als je de maritieme expansie meerekent, want nog meer dan zijn bodem heeft het de zee in cultuur gebracht. En om de zee heen, op alle kusten van de wereld, ligt het grootste van alle Engelanden, dat van de taal, die het overal heeft achtergelaten, het imperium van de woorden. Onmetelijk zijn de kringen die deze steen in Gods vijver heeft gemaakt.

Ik, afkomstig van het schiereiland Europa, opgegroeid in het besef van de donkere bossen in het oosten en de eindeloze, met berken geritmeerde vlakte daar weer achter – ik vroeg mijn vriend Martin Writer, een eerzaam huisarts, of we ons na onze aankomst in Rye, East-Sussex, waar we met ingang van september een cottage hadden gehuurd, niet binnen enkele dagen op het gemeentehuis moesten aanmelden. `Nooit! Ben je gek. Ze vinden je heus wel', luidde zijn antwoord. In zijn stem beluisterde ik abyssaal onbegrip; ik was onmiskenbaar bereid me aan Napoleon te onderwerpen.

De witte klippen groeien gedurende anderhalf uur. Ik tuur naar het havenhoofd van Dover, met die smalle opening waar de ferry altijd maar net doorheen lijkt te kunnen, wat het aankomen in mijn contemporaine brein iets freudiaans geeft. Maar ook het schip is vrouwelijk, een she, en op de koop toe Victoriaans, zodra ik tegen Joy spreek tenminste: `What time did we sail again?' Ik zet mijn horloge een uur terug. Ik snap niet dat iemand uit vrije wil de Chunnel neemt, die een scheiding in de vorm van een verbinding is. Met die miljoenen tonnen mergel is trouwens een stuk Kanaal ingepolderd tot natuurgebied, zodat de verwezenlijking van een negentiende-eeuwse Franse droom voor een uitbreiding van het Britse grondgebied heeft gezorgd.

In het ruim draai ik mijn raampje open. Teer, zout, antieke scheepsgeuren, de Engelse kade, mijn vader die een kruier zoekt, maar Joy ruikt alleen maar uitlaatgassen, niet die hysterisch-homoseksuele onzin van Proust. Een matroos in een geel fluorescerend vest ontscheept ons met grote theatergebaren. Een hogedrukgebied verwelkomt ons: het is subliem septemberweer.

Op het dak van de auto zit de meeuw die Matthew heet.

Het is vreemd te bedenken dat er niet alleen anglofielen bestaan, maar ook continentofielen. Tot die minderheidsgroepering van Engelsen behoorde Matthew Arnold, een van de interessantste essayisten uit het tijdperk van Victoria, met wier koningschap zijn leven (1822-1888) grotendeels samenviel. Ik heb zelden zo'n briljante en actuele kritiek van het materialisme gelezen als A Few Words about the Nineteenth Century, gepubliceerd in 1882.

Arnold was hier in juni 1851 op huwelijksreis. De verbintenis met Fanny Lucy née Wightman was heel geslaagd naar het schijnt, al suggereert haar japon op een foto van rond die tijd dan ook een nogal monsterlijke theepot. 's Avonds staan Matthew en Fanny voor het raam van hun hotelkamer: op het water schommelen zilveren maanschilfers, Franse lichtjes fonkelen aan de overkant. Welk hotel, wil een geobsedeerde in mij dan weten, maar dat meldt Nicholas Murray in zijn A Life of Matthew Arnold (St. Martin's Press, 1997) helaas niet. Het begin van het gedicht beschrijft in elk geval deze romantische (je zou haast zeggen preseksuele) situatie. Maar dan herinnert het raspende geluid van de kiezels in de branding aan de eeuwige notie van verdriet; dan volgen de vragen die een ontwikkelde Victoriaan kwellen, dan beginnen de zekerheden van het anglicaanse geloof opeens te wankelen, evenals de zuilen waar het Britse Imperium op rust.

Iedere inch een negentiende-eeuwer, deze Arnold, een classicist, liberaal, bewonderaar van het continentale onderwijs, eigenaar van bakkebaarden die ook toen al een beetje potsierlijk waren. Hij verweet zijn landgenoten hun eilandbewustzijnsvernauwing; in de bladen verscheen dan ook menige spotprent van hem en iedere cartoonist overdreef met wellust die capillaire curiosa. Hij zou drie zoons aan tegenwoordig goed behandelbare ziektes verliezen en toen de derde dood was kon hij niet meer dichten. Ik voel een diepe sympathie voor hem. Hij is zelf een van de zuilen waar Engeland op rust, in een wereld

Swept with confused alarms of struggle and flight,

Where ignorant armies clash by night.

Meer dan honderdvijftig jaar nadat die woorden zijn opgeschreven verlaten wij Dover en rijden over de kustweg verder naar het westen, richting Rye. De hemel begint te gloeien, verkleurend tot rood en purper; de heuvels daaronder worden van een intens groen, dat langzaam naar zwart verglijdt. Terwijl het vasteland de duisternis in wentelt, stellen wij onze zonsondergang nog even uit.