Depressie ligt aan uw gebit

De ontdekking van bacteriën ligt ten grondslag aan bizarre behandelmethodes in de Amerikaanse psychiatrie. Zenuwpatiënten kwamen op operatietafels terecht. Wie waren hun dokters en waartoe gebruikten ze ijspriemen?

In 1922 belandde de jonge vrouw Julia Thompson in het psychiatrische ziekenhuis Trenton State in New Jersey, wegens een manisch-depressieve stoornis. De behandeling bestond uit het chirurgisch verwijderen van haar amandelen en een groot deel van haar dikke darm. Vervolgens trok een tandarts zestien tanden en kiezen. Ook werd bij Thompson een stoma aangelegd. Korte tijd later stierf ze aan een postoperatieve buikvliesontsteking.

Verantwoordelijk voor deze medische nachtmerrie was de geneesheer-directeur van Trenton State, Henry Cotton (1869-1933). Deze ambitieuze psychiater poneerde in 1916 de hypothese dat mensen krankzinnig werden door sluipende ontstekingen in hun lichaam, bijvoorbeeld in hun gebit of ingewanden. De onzichtbaar voortwoekerende bacteriën zouden na verloop van tijd de hersenen aantasten. Vele duizenden patiënten van Cotton verloren naast hun tanden ook hun amandelen en darmen, en in sommige gevallen hun testikels, baarmoeder of eierstokken. Ook bij zijn vrouw en zoontjes liet Cotton alle tanden trekken. Zijn eigen gebit liet hij intact – volgens zijn eigen theorie wellicht de verklaring voor zijn mental breakdown in 1926.

Het populaire stereotype van de gestoorde psychiater à la Hannibal Lecter heeft dus historische wortels, zo wordt duidelijk uit het dit jaar verschenen boek over Cotton, Madhouse. A tragic tale of megalomania and modern medicine, geschreven door de Amerikaanse historicus Andrew Scull. Daarnaast publiceerde journalist Jack El-Hai de biografie The lobotomist over de Amerikaanse neuroloog Walter Freeman, dé propagandist van de lobotomie, een hersenoperatie voor psychiatrische patiënten. Waardevol aan beide boeken is dat ze proberen voorbij het stereotype te kijken.

Freeman was geen Mengele-achtige figuur, betoogt El-Hai. En Cotton was geen gestoorde eenling, maar een in zijn tijd zeer gewaardeerd psychiater, schrijft Scull. Zelfs na een overheidsonderzoek in 1925, dat leidde tot dramatische getuigenissen van ex-patiënten, zwaaide Cotton nog jarenlang de scepter over Trenton State, dankzij hooggeplaatste vrienden als Adolph Meyer, destijds de onbetwiste koning van de Amerikaanse psychiatrie.

Beide boeken zijn meeslepend en toegankelijk geschreven, ondanks de vele medische details. Het boek van Scull is echter het meest vernieuwend en prikkelend. Bovendien biedt Scull, die dan ook al bijna dertig jaar publiceert over de geschiedenis van de psychiatrie, het meest afgeronde tijdsbeeld. Dat Cotton zoveel steun kreeg, verklaart Scull deels vanuit de behoefte aan therapeutische hoop. De rond 1850 opgerichte krankzinnigengestichten zaten overvol, sommigen zelfs met 12.000 patiënten. Effectieve medicijnen waren er nog niet. Men behielp zich met kalmerende middelen als morfine en chloral, die zwaar verslavend waren. Familieleden betaalden vaak veel geld voor een behandeling door Cotton, in de hoop hun gezinslid buiten het gesticht te houden.

Tegengif

Cottons theorie was ook welkom onder biologisch georiënteerde psychiaters, die zich rond 1920 groen en geel ergerden aan de snelle opmars van de psychoanalyse. Ze hunkerden naar een nieuwe lichamelijke behandelmethode, om als tegengif te kunnen dienen voor al dat gepraat over seks en de vroege jeugd. Ze waren opgetogen over Cotton, die verkondigde dat de psychoanalyse in de toekomst vervangen zou worden door `maag- en darmanalyse'.

Geheel onwaarschijnlijk klonk dat destijds niet. Nadat rond 1880 het bestaan van bacteriën was ontdekt, had de geneeskunde grote sprongen vooruit gemaakt. Zo bloeide de chirurgie nadat chirurgen steriel gingen werken. Rond 1920 was de `bacteriële revolutie' een feit, met als bijeffect dat artsen massaal bang geworden waren om nieuwe bacteriologische theorieën – zoals die van Cotton – in de wind te slaan. Voor je het wist kwam je in de geschiedenisboekjes terecht als een conservatieve onbenul, die het revolutionaire gehalte van een nieuwe geneeskundige visie had miskend.

Scull wil Cottons daden echter zeker niet achteraf goedpraten door ze in hun tijd te plaatsen. Wél wil hij aantonen dat deze affaire geen vreemde dwaling was in de geschiedenis van de psychiatrie, maar een symptoom van de ziekte die deze sector sinds jaar en dag teistert: haar grote onvermogen om zichzelf te censureren. En dat onvermogen was er zeker in de affaire-Cotton. Zo liet Adolph Meyer in 1925 een uitgebreid onderzoek uitvoeren naar Cottons activiteiten. Daaruit bleek dat hij de statistieken in zijn eigen voordeel manipuleerde. Cotton claimde dat 85 procent van zijn patiënten als genezen ontslagen werd. In werkelijkheid waren veel ex-patiënten er nog altijd slecht aan toe. Velen waren bovendien nooit ontslagen uit Trenton State en liepen erbij als hoopjes ellende: tandeloos, zonder kunstgebit en mager. Meyer deed niets met het vernietigende rapport. Hij was de peetoom van Cottons zoon en koos voor de doofpot. Met als resultaat dat Cottons regime zelfs niet ten einde kwam nadat Cotton in 1933 overleed; tot 1960 werden in Trenton State nog tanden en amandelen verwijderd.

In 1935 zette Meyer de deur open voor een nóg ingrijpender lichamelijke behandelmethode: de lobotomie. Toen Walter Freeman hierover een lezing hield voor vakgenoten, ontmoette hij aanvankelijk veel weerstand. Meyer reageerde wél positief: hij meende dat alles geprobeerd moest worden om krankzinnigheid te genezen, mits op wetenschappelijk verantwoorde wijze.

Schedelgaten

In The lobotomist beschrijft El-Hai hoe de Portugees Egas Moniz in 1935 als eerste op het idee kwam om hersenweefsel in het voorste deel van de hersenen door te snijden via geboorde schedelgaten, vanuit de hypothese dat psychiatrische patiënten dan minder door hun impulsen en emoties geregeerd zouden worden. Moniz kreeg hiervoor in 1949 de Nobelprijs. Freeman ontwierp in 1946 een meer simpele variant van de lobotomie, waarbij een ijspriem via de oogkassen het voorste hersenweefsel werd ingehamerd. Een volledige narcose was niet nodig, vond Freeman. Het volstond om de patiënt kort bewusteloos te maken met een electroshock. Freeman reisde stad en land af om zijn behandelmethode te promoten. Met succes: in Amerika zijn zo'n 40.000 lobotomieën verricht, waarvan zo'n tien procent door Freeman zelf.

De geschiedenis van de lobotomie was reeds opgetekend door Eliot Valenstein in Great and desperate cures (1986). El-Hai probeert nu het negatieve imago van Freeman als persoon, dat ook in Valensteins boek te proeven viel, te nuanceren. Toch blijft het na lezing van The lobotomist gissen naar Freemans `ware aard'. Was hij werkelijk begaan met zijn patiënten? Hij koos in ieder geval niet voor de psychiatrie uit roeping. Freemans voornaamste ambitie was een beroemd neuroloog te worden, net als zijn opa W.W. Keen, de eerste Amerikaan die met succes een hersentumor verwijderde. Freeman ging alleen maar werken in een psychiatrisch ziekenhuis omdat hij ging trouwen en snel een vaste betrekking nodig had.

Zelf beweerde Freeman dat hij de lobotomie propageerde om zoveel mogelijk mensen te redden van een bestaan als gestichtspatiënt. Dat zijn gelobotomiseerde patiënten vaak kampten met incontinentie, apathie en epileptische aanvallen, en dat de operatie in twee tot drie procent van de gevallen leidde tot de dood, vond hij verdedigbaar: alles was beter dan honderdduizenden gestichtspatiënten te laten wegrotten.

El-Hai vertelt hoe Freeman met zijn ex-patiënten langdurige contacten onderhield, per post of door hen te bezoeken, met zijn camper. Het is de vraag of hij handelde vanuit empathie of professionele belangen. Hij publiceerde uitgebreid over de lotgevallen van zijn lobotomie-klanten en deze wetenschappelijke aanpak verhoogde het aanzien van zijn behandelmethode. Ondertussen uitte Freeman zich in zijn privé-correspondentie vaak denigrerend over zijn patiënten en sprak hij luchtig over gevallen waarin het mis ging. `I'm afraid she's a gone goose', schreef hij aan een collega over een vrouw die aan haar hersenoperatie een kaakklem-reflex overhield en niet meer kon praten. Zowel Cotton als Freeman offerde zonder veel gewetensbezwaren individuen op aan hun genezingsdrang. Die `furor therapeuticus' leidde in het verleden tot vele stappen voorwaarts in geneeskunde en psychiatrie. Maar het is ook een gevaarlijk sentiment, zoals deze boeken duidelijk maken.

Jack El-Hai: The lobotomist. A maverick medical genius and his tragic quest to rid the world of mental illness. Wiley & Sons, 362 blz. €35,–

Andrew Scull: Madhouse. A tragic tale of megalomania and modern medicine. Yale University Press, 360 blz. €33,–