De zon en de bergen zijn van ons

Is de vrijheid van de kunst een grondrecht? Deze prikkelende vraag stelt de Amsterdamse hoogleraar bestuursrecht en voormalig lid van de Raad voor Cultuur Inge C. van der Vlies in De kunst en het recht. Deze vraag herinnert eraan dat kunst en cultuur in toenemende mate onderwerp zijn van het recht. Van arbeidsomstandigheden tot kunstvandalisme, van de teruggave van gesmokkelde of gestolen objecten tot bruiklenen of het afstoten van museumstukken. De bescherming van culturele diversiteit is internationaal in discussie. Nieuwe media roepen nieuwe problemen met het auteursrecht op, plagiaat is dat al geruime tijd.

Deze nog steeds groeiende agenda heeft in Nederland begin 2002 geleid tot oprichting van een studievereniging Kunst Cultuur Recht. Prof. Van der Vlies is bestuurslid (evenals de schrijver van dit stuk). Er zijn al bijeenkomsten gewijd aan mecenaat en fiscus, de vaste boekenprijs en de Wet bescherming cultuurbezit, onderwerpen die ook aan de orde komen in het boek van Van der Vlies, naast kwesties als de Monumentenwet, kunstsubsidies en (Europees) cultuurbeleid. Voor de echte liefhebber zijn de teksten van circa dertig verdragen, wetten en reglementen bijeengebracht door R.J.Q. Klomp in een handige wetseditie van Ars Aequi, Kunst en recht.

Ondanks het groeiend aantal regelingen blijft de vrijheid van de kunst kern van alle verschillende kwesties. Een klassiek thema is de botsing tussen literatuur en recht. Deze vormt het onderwerp van De wet van de letter door Klaus Beekman, universitair hoofddocent Moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en Ralf Grüttemeier, hoogleraar aan de Carl von Ossietsky universiteit Oldenburg. Ze beginnen met Joost van den Vondel en de censuur (wegens zijn Palamedes) en Max Havelaar en het kopijrecht. Belangrijk in de meer recente Nederlandse jurisprudentie zijn het zogeheten Ezelproces tegen Gerard Reve (1966-1968, smalende godslastering), De Bob en Daphne-reeks van Hans B. Aalberse (1955-1965, pornografie) en meer recent de beledigingszaak tegen Pieter Waterdrinker wegens zijn roman Danslessen over Zandvoort (1999-2001).

Plagiaat vormt een belangrijk thema van dit boek, ook al komt het daarbij vaak niet tot een rechtsgeding. De auteurs signaleren een interessante ontwikkeling. Avantgardisten en modernisten aan het begin van de vorige eeuw trokken hele werken op uit citaten zonder bronvermelding. Dit botste met de Auteurswet uit 1912, die nog steeds de basis vormt van het auteursrecht, maar de moderne kunstenaars gingen de confrontatie uit de weg en zochten veeleer naar `een excuus'. Postmodernisten doen daarentegen een principieel beroep op een afwijkende kunstbeschouwing, al geven zij deze liever de noemer van parodie dan van plagiaat.

Dat het relatief weinig komt tot rechtszaken is maar goed ook voor de postmodernisten, want juridisch gezien maken zij weinig kans. Het recht van de oorspronkelijke auteur geldt als een absoluut eigendomsrecht waartegen weinig te beginnen valt. Het is overigens de vraag hoe lang deze klassieke opvatting houdbaar is in een (muziek)cultuur die in toenemende mate wordt gekenmerkt door sampling, het mixen van allerlei fragmenten. Opmerkelijk is dat literaire plagiaatkwesties in de hedendaagse media wel hoog worden opgenomen. Maar dat `zegt wellicht meer over de media dan over de feiten', vinden Beekman en Grüttemeier. Zo vreemd is de preoccupatie van de media overigens niet. In de journalistiek is plagiaat wel degelijk een serieuze kwestie, die rechtstreeks raakt aan de vertrouwensband met het publiek. Met alle respect voor de kunst is die toch van een andere orde dan een herkenbare parodie.

In de nabije toekomst zullen de meeste processen zich vooral voordoen op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (sleutelromans), voorspellen Beekman en Grüttemeier. Zij noemen ook discriminatie als bron van nieuwe rechtsconflicten. Breder geformuleerd gaat het daarbij om de bescherming van culturele diversiteit. Maar hoe ver gaat het respect voor etnisch-religieus-culturele eigenheid? Dat is een netelig vraagstuk, getuige alleen al de commotie over de imam die minister Verdonk de hand weigerde. ,,Ik ben de minister'', had de bewindsvrouw nog wel gezegd. De rechten van de mens –zoals de godsdienstvrijheid of culturele en etnische identiteit – zijn echter juist geschreven voor de burger en tégen de overheid. De vrijheid om geen hand te geven aan een minister lijkt wel het minste. Het wordt pas lastig tussen burgers.

Een tijdje geleden liep een arts in Breda fikse klappen op van de 36-jarige echtgenoot van een Marokkaanse vrouw omdat hij haar een hand wilde geven toen het echtpaar zich op een huisartsenpost meldde met een ziek kind. De slaande man beriep zich op zijn islamitische identiteit die het voor de hand liggende beleefdheidsgebaar zou verbieden, maar kreeg gewoon een proces-verbaal.

In Australië eisten Aboriginals van een museum in Sydney een verbod voor vrouwelijke medewerkers om heilige objecten uit hun traditie te behandelen, zoals het onderscheid tussen de geslachten in hun overgeleverde cultuur eist. Ook in dit geval leek een summiere afwijzing voor de hand te liggen. Er was echter een complicatie: het recht op intellectuele eigendom, zoals gezegd: een absoluut verbodsrecht. Dit vormt een speerpunt van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) die zich inzet voor globalisering van de economie. Inheemse volkeren maken zich in toenemende mate op om het Westen een koekje van eigen deeg te geven.

Een zo'n koekje wordt gebakken tijdens de voorbereidingen van een nieuw en groot internationaal verdrag over culturele diversiteit van de UNESCO. Eind dit jaar moet het worden voorgelegd aan de ledenvergadering van deze organisatie. Het UNESCO-verdrag is bedoeld als cultureel tegenwicht voor de economische benadering van de WTO, die culturele uitingen vooral beziet als handelswaar. Het recht op intellectuele eigendom fungeert in deze confrontatie als een spil.

De complicaties die dit oplevert vormen het thema Who Owns Native Culture? door Michael F. Brown, een Amerikaanse hoogleraar antropologie met een meer dan gewone belangstelling voor het recht op intellectuele eigendom. Behalve de zaak in Sydney beschrijft hij bijvoorbeeld een actie van Lakota-indianen over een heilige berg. Deze is in trek bij bergbeklimmers maar ook bij New Age-aanhangers, hetgeen een extra levensbeschouwelijke complicatie geeft. Andere indianen hebben geklaagd dat de zon in de vlag van de staat New Mexico is `gestolen' van een anonieme Indiaanse pottenmaker uit de negentiende eeuw.

Dergelijke claims passen niet of nauwelijks in het recht van intellectuele eigendom zoals wij dat kennen. Al was het alleen omdat eigendom is gebonden aan een individuele maker terwijl bij inheemse volken het collectieve karakter van uitingen voorop staat. Het gebruik van bepaalde symbolen in de kunst van aboriginals heeft voor de betrokkenen bovendien een directe relatie met aanspraken op bepaalde stukken land. Met zo'n relatie kunnen juristen moeilijk uit de voeten. In een Rotterdamse juridische dissertatie sprak Steven Sjouke vijf jaar geleden zelfs van twee werelden die niet te verzoenen zijn. Brown ziet het wat zonniger en richt zijn aandacht vooral op een tussenweg. Hij is ook geen jurist.

Who Owns Culture? gaat niet alleen over immateriële waarden. Brown vraagt indringend aandacht voor de kwestie van de `etnobotanie'. De moderne farmaceutische industrie is bezig medicijnen te patenteren die rechtstreeks zijn ontleend aan oude inheemse kennis en gebruiken. Dit is van een andere orde dan de observatie dat reggaemuziek uit het Caraïbisch gebied tegenwoordig favoriet is bij jonge Amerikaanse indianen in een Hopireservaat. Brown spreekt onomwonden van een `crisis' in de etnobotanie.

Om terug te komen op de beginvraag: verdient de vrijheid van de kunst een eigen grondrecht? De vraag stellen is hem beantwoorden. Er is al een algemeen erkend recht van de mens op de vrije meningsuiting. Dat omvat overigens ook de vrijheid meningen te ontvangen, al dreigt dat wel eens te worden vergeten. Kunst is meningsuiting par excellence. In het juninummer van het Nederlands tijdschrift voor mensenrechten wijst Meryem Aksu er op dat dit `een zeker recht op overdrijving en zelfs provocatie' inhoudt. Zeker omdat de rechter geen oordeel over het gehalte van artistieke expressies toekomt.

Veel verder kan men in het recht niet komen.

Inge C. van der Vlies: De kunst en het recht, Over algemene publiekrechtelijke regels met betrekking tot kunst. Boom Juridische uitgevers, 226 blz. €25,–

Klaus Beekman en Ralf Grüttemeier: De wet van de letter, Literatuur en rechtspraak. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 232 blz. €19,90

Michael F. Brown: Who Owns Native Culture? Harvard University Press, 315 blz. €30,50 (geb.), €18,–