De staat, dat zijn wij

Geen land heeft altijd zo'n helder beeld gehad van de eigen identiteit als Frankrijk. En geen land kan zo verkrampen als de realiteit ter sprake komt,zo blijkt uit een Engelse studie.

Trots en arrogant stapte Frankrijk de twintigste eeuw binnen. De door Parijs georganiseerde Wereldtentoonstelling in 1900 was een uithangbord van moderne techniek en trok vijftig miljoen bezoekers. Belangstellenden vergaapten zich aan de wonderlijke mobielen van Panhard of maakten een ritje met de eerste elektrische metro tussen de Porte de Vincennes en de Porte Maillot. Op de in hetzelfde jaar georganiseerde Olympische Spelen verpletterde het nationale rugbyteam zowel aartsrivaal Duitsland als de oude opponent Engeland. De Derde Republiek vierde haar dertigjarig bestaan in jubelstemming. De koloniën bestreken tien procent van het aardoppervlak. Waar de tricolore wapperde, heersten rede en beschaving. Het rationele, centraal geleide seculiere onderwijssysteem verspreidde de Franse cultuur en burgerschap tot in de poriën van de koloniën. De republikeinse identiteit stoelde op eenheid en uniformiteit, de befaamde exception française.

Heden ten dage is de supermacht afgegleden tot een middelgrote mogendheid. Het Empire is verschrompeld tot koloniale confetti. De Republiek is niet langer op missie naar verre oorden, maar het is de wereld die zich aan haar opdringt in de vorm van globalisering en internet, Europa en multiculturalisme. Bij tijd en wijle is de natie aan krampaanvallen onderhevig, als de identiteit in twijfel wordt getrokken. Maar Frankrijk is ontegenzeggelijk een pluralistische samenleving is geworden, opener en democratischer. Paradoxaal genoeg staat het concept van de unitaire Republiek nog altijd fier overeind.

Zidane

In La vie en bleu. France and the French since 1900 schetst de Britse historicus de geschiedenis van de Republiek en de Franse identiteit in de twintigste eeuw. De geïdealiseerde voorstelling van een `één en ondeelbaar' Frankrijk is in zijn ogen een eenheidsmythe, de oorspronkelijke uitdrukking van een in wezen achttiende-eeuwse ideologie. Voor Kedward is Frankrijk altijd een optelsom van verschillende identiteiten geweest. En van een identiteitscrisis heden ten dage, zoals wel wordt beweerd, wil hij ook niets weten. Bij Kedward heeft identiteit een positieve connotatie, juist omdat deze voortdurend in ontwikkeling is. De titel wijst hier ook op. La vie en bleu is zowel een verwijzing naar de uitdrukking `la vie en rose' als een metafoor voor collectieve roes waarin de natie zich verschillende malen onderdompelde. Zoals in 1998 met het behalen van het wereldkampioenschap door `les bleus', de nationale voetbalploeg. Dit kleurrijke elftal, met de Franse Algerijn Zinedine Zidane, de Ghanese Fransman Marcel Desailly en de aanvoerder-galliër Didier Deschamps belichaamde de kracht van eenheid in verscheidenheid met de slogan `Black, Blanc, Beurre' als een moderne variant van het revolutionaire adagium `liberté, égalité, fraternité'.

Kedward situeert die identiteit op het kruispunt van mentaliteits- en politieke geschiedenis. Het zijn bij hem niet zozeer de structuren die de gang van de geschiedenis bepalen, maar personen en hun motieven. Daarnaast besteedt hij veel aandacht aan de manier waarop de Republiek zichzelf ten overstaan van de geschiedenis legitimeerde.

De chronologie minutieus volgend maakt Kedward duidelijk dat Republikeinse waarden als laicité, rede en burgerschap met horten en stoten zijn verinnerlijkt. De fraaie retoriek van universaliteit en mensenrechten ten spijt, bepaalde de staat telkenmale opnieuw wie wel en wie niet deel uitmaakte van de natie. Dit wordt overtuigend geïllustreerd aan de hand van de moeizame integratie van vrouwen, socialisten en immigranten. Aan het begin van de twintigste eeuw was van een breed gedragen democratie geen sprake. Kiesrecht in het land van de Rechten van de Mens bestond enkel voor mannen.

Er was een externe impuls nodig, in de vorm van de Duitse inval van augustus 1914, om de natie, vakbonden incluis, aaneen te smeden in een Union Sacrée. Vrouwen hielden de oorlogsindustrie draaiende. En uit correspondentie van soldaten uit overzeese gebiedsdelen – van Senegal tot Indochina werden 850.000 soldaten opgeroepen – bleek dat dezen zich herkenden in de propagandistische taal van een geciviliseerd Frankrijk dat de Duitse barbarij bevocht. Toch was ambivalentie de Franse regering niet vreemd. Terwijl de koloniale troepen gebroederlijk met boeren en arbeiders in de loopgraven crepeerden, werden opstanden in Madagascar en Algerije met harde hand onderdrukt.

Blitzkrieg

In tegenstelling tot in de Grande Guerre laaide tijdens de Tweede Wereldoorlog de strijd tussen republikeinse en reactionaire waarden hoog op. Tijdens de Blitzkrieg van 1940 stortte de Derde Republiek in en nam het Vichy-regime het roer over. Kedward toont knap het aanvankelijke ambigue karakter van deze nieuwe Franse staat onder leiding van Pétain. Pas in de loop van de oorlog versmalde Vichy tot een reactionair en repressief regime. Conservatieve waarden als `Werk, Familie en het Land' kwamen in de plaats van `Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap'. De retoriek van een nieuwe orde en nationale eenheid ten spijt werden joden, communisten en vrijmetselaars vervolgd. Voor vrouwen was in de masculiene Nationale Revolutie evenmin plaats. Tegenover Vichy stonden de Vrije Fransen onder leiding van Charles de Gaulle. Ook dit andere Frankrijk was een ideologische lappendeken en stond bol van rivaliteiten, maar voor haar identiteit bleef de Republiek richtinggevend. Vrouwen – in 1942 door De Gaulle kiesrecht beloofd – én immigranten speelden een belangrijke rol ten tijde van de Résistance, in tegenstelling tot hun plaats in de herinneringscultuur na de oorlog.

De hoofdstukken over interbellum, Vichy en verzet behoren tot de krachtigsten van het boek. Kedward, die in 1978 zijn proefschrift publiceerde over het verzet (Resistance in Vichy France. Ideas and Motivations), is hier duidelijk in zijn element. Niet toevallig maken zijn helden, de socialistische voormannen Jean Jaurès en Léon Blum, ook deel uit van de politieke canon uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

Mitterrand

Het draagvlak voor de Republiek kreeg een nieuwe impuls tegen het einde van de jaren zestig. De beweging van Mei 1968 creëerde meer ruimte voor (de rechten van) vrouwen en immigranten alsmede een grotere plaats voor jongeren in de maatschappij. Milieugroeperingen, anti-racisme comités en de vrouwenbeweging groeiden naast politieke partijen uit tot nieuwe pijlers onder het gebouw van de Republiek. Het enthousiasme waarmee François Mitterrand, de eerste socialistische president, in 1981 de Republiek omarmde verbaasde vriend en vijand. Onder zijn bewind deed de cohabitation, waarbij president en regering van een verschillende politieke kleur waren, zijn intrede. De Republiek is daarmee definitief in het amorfe politieke midden beland.

Tegelijkertijd kreeg het oerdegelijke ideaal van assimilatie meer en meer concurrentie van de multi-culturele samenleving. Ook op dit punt handhaaft Kedward zijn evenwichtige analyse: terwijl een quota-systeem chansons op de radio diende te beschermen absorbeerde, parallel aan deze vorm van exception culturelle, de jongerencultuur wereldmuziek, rap en raï.

Het is jammer dat Kedwards betoog verkruimelt vanaf de jaren tachtig. Hij krijgt moeilijk grip op de zich snel ontwikkelende maatschappij. De vraag is in hoeverre nationale identiteit nog geduid kan worden in de huidige, postmoderne samenleving waarin zowel processen van globalisering als regionalisering een steeds grotere rol spelen. In elk geval nam in de jaren negentig de druk op het Republikeinse model toe ten gevolge van een terugtredende overheid, het uitdijende Europa, globalisering, de neveneffecten van omvangrijke immigratie en opspelende xenofobe bewegingen. De hoofddoekjeskwestie, die vanaf de jaren tachtig opspeelde en die na de aanslagen van 11 september aan venijn won, raakte de Republiek in het hart. Het debat trok dwars door politieke partijen (met name ter linkerzijde) en stortte het land in een identiteitscrisis.

Uiteindelijk is in 2004 een verbod op het dragen van foulards in openbare scholen ingesteld. Zonder positie te kiezen in dit debat, toont Kedward hoezeer laicité in relatie tot scholing nog altijd tot de fundamenten van de Republiek behoort. In dit opzicht is de Franse nationale identiteit hard als een menhir. Tegelijkertijd is de consensus achter de idee van seculariteit, vergeleken met honderd jaar geleden, verbreed. De maatschappelijke context is fundamenteel veranderd, maar de argumenten zijn dezelfde gebleven. In de kern heeft de Republikeinse ideologie niets aan waarde ingeboet. Maar de paradox (en de verwarring) blijft. Meer dan ooit blijkt de Franse natie immers een caleidoscoop: binnen één kader zijn vele verschillende kleurenpatronen mogelijk.

Rod Kedward: La vie en bleu. France and the French since 1900. Allen Lane, 741 blz. €34,49