De invloed van Cruijff

Voor de tweede maal in één jaar dwingt de publieke opinie een versoepeling van het schenkingsrecht af. In januari bleven voor één keer de aan giro 555 (voor tsunamihulp) weggeschonken vakantiedagen onbelast, nu schrapt het kabinet het schenkingsrecht voor goede doelen nadat Johan Cruijff zich eraan had geërgerd. Al meer dan vijf jaar komt de stroomlijning van belastingheffing bij goede doelen niet veel verder dan dit soort incidentenpolitiek.

,,Het valt moeilijk uit te leggen en het is nauwelijks gerechtvaardigd dat van in het algemeen belang werkzame instellingen schenkingsrecht wordt verlangd.'' Deze ambtelijke formulering kwam duidelijk niet over de lippen van de voetbalcoryfee. Die zei voor de televisiecamera's ,,dat het van de gekke is dat als wij hun problemen van integratie, sport en zo voor ze oplossen, we daar belasting over moeten betalen''. Maar beide uitspraken gaan over hetzelfde: de belastingheffing van 8 procent over schenkingen en erfenissen voor goede doelen. Tussen beide uitspraken ligt vijf jaar vruchteloos politiek touwtrekken. Ze illustreren het verschil in effectiviteit tussen de rauwe mening van de straat en het afgewogen oordeel van het in politieke stroperigheid vastgelopen establishment. Want daartoe behoort de eerste spreker, Jan Moltmaker, in 2000 advocaat-generaal bij de Hoge Raad. In maart van dat jaar adviseerde hij het kabinet als voorzitter van een regeringscommissie van wetenschappers, fiscalisten, rechters, ambtenaren en andere vooraanstaanden in de polder.

Het aardige van een goed doel zoals de Cruyff Courts (dat met de KNVB trapveldjes aanlegt in de binnensteden) is dat de samenleving betere integratie en meer sportbeoefening als een eigen verantwoordelijkheid oppakt. Ze laat het niet liggen als overheidstaak. Dan is het logisch dat ook de daarmee gemoeide geldstromen buiten de overheid – vooral buiten de fiscus – om lopen. Dat is overigens al lang zo voor schenkingen aan musea of het Rode Kruis. Cruijff had die ongerechtvaardigde fiscale ongelijkheid als sterk argument voor zijn stelling kunnen opvoeren. Maar wat maakt het uit? Deze zaak is in al die jaren niet opgelost door de kracht van argumenten. Het pleit is beslecht doordat een volksheld de media mobiliseerde.

De laatste maanden zagen we een politiek touwtrekken tussen staatssecretaris van Financiën Joop Wijn (CDA) en een meerderheid van de Tweede Kamer over het schenkingsrecht. De afschaffing van de belastingheffing van 8 procent (vóór 1 januari 2005 11 procent) hing al een tijdje in de lucht. Het spel ging nog om de financiering. Het kabinet had geen zin de kosten voor zijn rekening te nemen en daagde de Kamer uit zelf ergens de benodigde 55 miljoen euro vandaan te halen. De Kamer kaatste de bal terug. Cruijffs mediaoffensief kwam al dan niet toevallig middenin dat politieke spelletje terecht en dwong Wijn zelf met een oplossing te komen. Op slag verminderden de kosten voor de maatregel met 15 miljoen euro omdat Wijn al dan niet toevallig net de beschikking kreeg over nieuwe cijfers. Wijn vindt zijn 40 miljoen door de kansspelbelasting van 25 naar 30 procent te verhogen.

Dat alles gebeurde overhaast voor de gretige televisiecamera's, niet in een debat op het Binnenhof. Wie zich daar afvraagt waarom het respect voor de politiek zo gering is, vindt een aanwijzing in zowel vijf jaar machteloze politiek als in deze mediaontknoping. Het is dit soort Haagse politiek waar Pim Fortuyn zich met succes tegen afzette.

Den Haag is nog lang niet klaar met de goede doelen. De volgende vraag is welke instellingen fiscaal kwalificeren als zo'n `algemeen nut beogende instelling'. In elk geval de Cruyff Foundation, maar ook een amateur-voetbalclub of zelfs een profclub? De eerste zit dicht tegen gewone vrijetijdsbesteding aan; moeten daar bijzondere fiscale faciliteiten voor gelden? Een profclub is een bedrijf. Ajax staat genoteerd op de effectenbeurs. Moet de fiscus voor zo'n onderneming vrijstellingen hanteren? Over deze vragen wordt nu tot voor de Hoge Raad geprocedeerd. De Raad heeft al uitgemaakt dat een vereniging die voor meer dan de helft aan het algemeen belang werkt, geheel als goed doel meetelt. Organisaties die een uitgekiende mix maken tussen plezierige vrijetijdsbesteding voor de leden en gemeenschapsdiensten, zijn bijvoorbeeld zangkoren en harmonieorkesten. De openbare uitvoeringen én de repetities daarvoor tellen als aan het algemeen nut gewijde activiteiten. De andere helft mag bestaan uit feestjes en uitjes. Het totaal is een goed doel. Met een statutenwijziging en wat goede wil kunnen zelfs de Hells Angels fiscaal als algemeen nut beogende instelling door het leven gaan. Het kabinet hikt tegen die rekbare definitie aan. Wijn gaat daarom proberen misbruik van de nieuwe vrijstelling in te dammen.

Een ander probleem is dat de fiscale erkenning als goed doel jaar op jaar gecontroleerd zou moeten worden bij alle 16.000 geregistreerde instellingen. Dat gebeurt niet; er zijn niet eens voldoende belastingambtenaren om de 1.600 nieuwe aanvragen per jaar goed te beoordelen. Daarom wil Wijn de certificering van goede doelen overlaten aan de sector zelf. Die voelt echter niets voor zelfregulering, zo ze er al toe in staat zou zijn. Een oplossing is nog niet in zicht; het politieke touwtrekken rond de goede doelen gaat onverminderd door.

De goede doelen krijgen niet alleen een vrijstelling van schenkingsrecht maar ook van het tweelingbroertje: het successierecht (de belasting over erfenissen). Wegens de ingangsdatum van 1 januari 2006 doen goede doelen er verstandig aan grotere schenkingen (boven de huidige vrijstellingsgrens van 4.303 euro) over de jaarwisseling heen te tillen. Giften aan goede doelen (ruim 4 miljard euro per jaar) blijven onverminderd gewoon aftrekbaar voor de inkomsten- en de vennootschapsbelasting.