De banden van Het Bureau

Vorige week werd bekend dat de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen een driekoppige onderzoekscommissie heeft ingesteld die het oorlogsverleden van P.J. Meertens moet gaan onderzoeken. Directe aanleiding voor deze opzienbarende stap is een brief van de socioloog en historicus Hans Derks die beweert dat zich in de archieven belastend materiaal over Meertens bevindt waaruit blijkt dat deze taal- en volkskundige – vooral bekend als `meneer Beerta' uit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil én als naamgever van het onder de KNAW ressorterende onderzoeksinstituut – nauwe contacten met de bezetter en met de SS onderhouden zou hebben.

Voor de onderzoekscommissie (onder voorzitterschap van prof. dr. H.W. von der Dunk) die de handel en wandel van P.J. Meertens moet gaan onderzoeken, komt het nieuwe boek van Barbara Henkes als een geschenk uit de hemel. Deze Groningse historica, die eerder al Heimat in Holland. Duitse dienstmeisjes 1920-1950 publiceerde, heeft op een afgewogen wijze beschreven hoe de belangrijkste Nederlandse volkskundigen tijdens het interbellum met enkele onderdelen van hun vakgebied geworsteld hebben.

In het boek komt Hans Derks ook kort ter sprake. Henkes schrijft over diens onderzoek dat het `aan geloofwaardigheid verloor door de rechtlijnige manier waarop hij vrijwel alle Nederlandse historici en volkskundigen die met Duitse collega's hadden samengewerkt als collaborateurs met het nationaal-socialisme desavoueerde'.

Henkes heeft in haar eigen boek voor een meervoudige biografische benadering gekozen door vier markante persoonlijkheden op het terrein van de volkskunde te volgen. Behalve de neerlandicus P.J. Meertens zijn dit de publicist en documentairemaker Dirk Jan van der Ven, de Leidse hoogleraar Oud-Germanistiek Jan de Vries en de fotograaf en journalist Nico de Haas. Bij de keuze voor deze personen was het een belangrijke overweging dat zij zowel vóór als na de vestiging van het nationaal-socialistisch bewind in Nederland op het terrein van de volkskunde actief waren.

Hiermee heeft Henkes een gelukkige keuze gemaakt. Uit de biografieën komt goed naar voren dat de persoonlijke inzet, de vaardigheden maar ook de beperkingen van de vier hoofdrolspelers op het terrein van de Nederlandse volkskunde van grote invloed waren op de richting die dit in deze jaren langzaam volwassen wordende vakgebied insloeg. Het is fascinerend om te lezen hoe wetenschapsinhoudelijke argumenten, levensbeschouwelijke overwegingen, persoonlijke levensstijlen en loyaliteitsgevoelens op elkaar ingrijpen en tot zeer uiteenlopende uitkomsten hebben geleid.

Zo ontwikkelde de fotograaf Nico de Haas zich van `arbeidersfotograaf' (en vriend en geestverwant van Cas Oorthuys) en fanatiek lid van de Communistische Partij tot een radicale hoofdredacteur van het aan de SS gelieerde tijdschrift De Hamer. Er was, zo laat Henkes overtuigend zien, maar weinig voor nodig om een overstap van communisme naar nationaal-socialisme te maken en `klassenstrijd' in te wisselen voor `rassenstrijd'. In plaats van te vervallen in morele oordelen over deze onmiskenbaar `foute' volkskundige, geeft de auteur een gedetailleerd overzicht van de maatschappelijke omstandigheden en van het tijdsgewricht onder invloed waarvan De Haas tot de keuzes kwam die hij maakte.

Behalve voor De Haas was ook voor de germanist De Vries dit relaas niet zo moeilijk te reconstrueren. Ook deze wetenschapper schoof in de loop van zijn leven steeds meer naar `rechts' op. Tijdens de oorlogsjaren werd De Vries van een aanhanger van de Groot-Nederlandse gedachte een vurig pleitbezorger van een Groot-Germanië. Dat De Vries, in het verlengde hiervan, tal van bestuursfuncties van `foute' instellingen bekleedde (zoals voorzitter van de Kultuurkamer en van het Letterengilde) was een logisch gevolg van de uit wetenschappelijke overtuiging gemaakte keuze voor het nationaal-socialisme.

Ten aanzien van P.J. Meertens liggen de zaken gecompliceerder. Henkes laat niet na te benadrukken dat deze Zeeuwse kruidenierszoon zijn hele leven lang trouw is gebleven aan een persoonlijk vormgegeven christen-socialisme en dat Meertens niets moest hebben van het nationaal-socialisme; zijn homoseksuele geaardheid zal hem in zijn afkeer daarvan wellicht nog wat versterkt hebben. Al lang voordat in Duitsland de NSDAP aan haar opmars was begonnen, onderhield Meertens intensieve contacten met buitenlandse wetenschappers. In het begin beperkte het contact zich tot dialectologen, maar geleidelijk aan werden ook de banden met aanverwante wetenschapsgebieden aangehaald. Het is de grote verdienste van het zorgvuldig en genuanceerd geformuleerde (maar desondanks toch goed en vlot leesbare) boek van Barbara Henkes dat zij dit veld van wetenschappelijk onderzoek in de context van het toen gevoerde discours plaatst. Zij maakt niet de fout om het met verve gevoerde debat, waarbij volk, stam, ras, etniciteit en religie sleutelbegrippen waren, op een finalistische wijze te beschouwen als een discussie die onafwendbaar moest resulteren in de Blut und Boden-theorie. Meertens was hierbij meer een volger dan een voorganger. Zijn weifelende houding en terughoudende opstelling laten zich goed samenvatten in zijn devies `Ik geloof dat we nergens zo bang voor moeten zijn als voor zekerheden'.

Laat met Uit liefde voor het volk en met de rapportage van de Commissie Von der Dunk de discussie over de `besmette volkskunde' voorlopig gesloten zijn zodat de nieuwe generatie volkskundigen – die zich liever etnologen noemen – vrij baan heeft om zich met nieuw empirisch onderzoek bezig te houden. Over het huidige Nederland kunnen deze etnologen, op basis van dezelfde sleutelbegrippen zoals volk, ras, etniciteit en religie, veel zinnigs op papier zetten.

Barbara Henkes: Uit liefde voor het volk. Volkskundigen op zoek naar de Nederlandse identiteit 1918-1948. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 494 blz. €24,95