Beestachtig mooi

Rudy Kousbroek kan het in zijn bespreking van de tentoonstelling Beestachtig mooi in het Van Gogh Museum, getiteld `Het cement van de wereld' (Cultureel Supplement, 7 oktober) niet laten te sneren naar de joods-christelijke traditie, daar waar het gaat om de positiebepaling van de mens tot het dier. Daarentegen hemelt hij het rationalisme en de Verlichting weer op, in dit geval door ze in één adem te noemen met Darwins evolutietheorie. Wie minder zwart-wit denkt, beseft dat het vooral de rationalistische traditie in de westerse filosofie is geweest – van Socrates en Plato, Aristoteles, Thomas van Aquino tot Descartes en Kant – die met allerlei schrijfsels over `het redelijke dier' (de mens dus) het dier zo op afstand heeft weten te houden, niet alleen uit angst voor de wilde dieren, maar ook wegens het wilde dier in de mens zelf. Diegene weet eveneens dat er daarnaast altijd een soort tegenbeweging heeft bestaan binnen het westerse denken, zeg maar van de fabelschrijver Aesopus via Horatius, Franciscus van Assisi tot aan Schopenhauer en Nietzsche. En dat altijd al de meeste stervelingen ambivalent waren tegenover dieren. Het historische beeld van de relatie mens-dier is dus vele malen complexer dan Rudy Kousbroek ons wil doen geloven – dat toont bijvoorbeeld de Leidse psycholoog Chorus al aan in zijn Het denkende dier uit 1969. Hetgeen niet wegneemt dat ik de titel van Kousbroeks stuk geniaal vindt, want meer kennis van de dieren, de natuur en de biologie in het algemeen is inderdaad het beste cement voor de wereld.