Alledaagse verbazing

Bouwstijlen als de gotiek of het modernisme komen volgens Witold Rybczynski niet voort uit noodzaak, maar uit de persoonlijke voorkeuren van architecten. ,,Ik was geschokt toen ik dit voor het eerst hoorde.''

Wat was het belangrijkse gereedschap dat het tweede millennium van de christelijke jaartelling heeft opgeleverd? Toen de Amerikaanse architect-schrijver Witold Rybczynski deze vraag kreeg voorgelegd door een redacteur van The New York Times, moest hij lang nadenken. Hij overwoog dingen als beitel, zaag en boor, maar steeds moest hij vaststellen dat de oude Romeinen die al kenden of dat ze de wereld niet echt hebben veranderd. Toen hij na wekenlang wikken en wegen de wanhoop nabij was en de vraag onbeantwoord wilde laten, zei zijn vrouw tegen hem dat ze altijd één gereedschap in de la had liggen: de schroevendraaier.

De opmerking van Rybczynski's vrouw was het begin van een zoektocht naar de oorsprong van de schroevendraaier die hij vastlegde in One Good Turn. A Natural History of the screwdriver and the screw. Natuurlijk ging hij ook op zoek naar de eerste schroef, want geen schroevendraaier zonder schroef tenslotte.

Rybczynski ontdekte dat het woord schroevendraaier in het Engels en in het Frans pas in de achttiende eeuw opdook in encyclopedieën en verhandelingen over gereedschappen. Maar schroeven zijn al veel ouder, zo moest hij ook vaststellen. Na zoektochten in bibliotheken en musea zag Rybczynski in een harnas uit de vijftiende eeuw een schroefje zitten. Maar een schroevendraaier uit dezelfde eeuw kon hij lange tijd niet vinden. Tot hij een vreemd voorwerp zag liggen op een draaibank die staat afgebeeld in een vijftiende-eeuws Duits boek. Het peervormige handvat en de staaf moesten een schroevendraaier zijn, was Rybczynski's overtuigende conclusie.

One Good Turn is kenmerkend voor het werk van Witold Rybczynski. Alledaagse ervaringen zijn aanleiding voor speurtochten naar onopgemerkte en verwaarloosde onderwerpen in de architectuur, stedenbouw en techniek. Tijdens deze tochten maakt Rybczynski uitstapjes naar lage- en hoge-cultuurgeschiedenis, zodat de meeste van zijn twaalf boeken veel meer zijn dan architectuurboeken.

Van huis uit is Rybczynski architect. Hij voltooide zijn architectuuropleiding in Montreal, de stad waar hij ging wonen nadat hij als zoon van Poolse immigrantenouders zijn jeugd had doorgebracht in Groot-Brittannië. Maar ontwerpen deed hij nauwelijks na zijn studie. Hij werd docent, eerst aan de McGill Universiteit in Montreal, sinds 1993 aan University of Pennsylvania in Philadelphia. En hij schreef boeken, waaronder een biografie van de Amerikaanse landschapsarchitect Frederick Law Olmsted en The Perfect House, over het werk van de Italiaanse renaissance-architect Andrea Palladio.

Huiselijkheid

Rybczynski's bekendste boek is Home uit 1986, een onderzoek naar de oorsprong van de begrippen `thuis' en `huiselijkheid'. In het hoofdstuk Domesticity laat Rybczynski aan de hand van onder meer schilderijen uit de Gouden Eeuw zien dat het zeventiende-eeuwse Nederland een cruciale rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het woonhuis tot onderkomen voor het intieme familieleven. Een van Rybczynski's stellingen is dat de burgerlijke Nederlandse cultuur het burgerlijke huis voortbracht, met zijn afzonderlijke kamers voor verschillende activiteiten en ruimte voor privacy.

Ook Home kwam voort uit alledaagse verbazing. In de zes jaar dat hij werd opgeleid tot architect, werd het onderwerp `comfort' slechts één keer genoemd, schrijft Rybczynski in het voorwoord van Home. Hij vond het vreemd dat comfort blijkbaar geen onderwerp was in de architectuur. ,,Je zou toch denken dat comfort van groot belang is in de voorbereiding op het beroep van architect, zoals rechtvaardigheid dat is in de studie rechten of gezondheid bij medicijnen'', schrijft hij. En dus begon hij zelf maar aan een onderzoek naar rol van comfort in oude en nieuwe woningen, met Home als briljant resultaat.

Dat comfort geen rol speelde tijdens zijn opleiding, heeft te maken met het modernisme, vertelt Rybczynski op een zonnige maandagmorgen in zo'n Amsterdams grachtenpand waar in de zeventiende eeuw de moderne `huiselijkheid' werd uitgevonden. De dag ervoor heeft hij de eerste Theo Lunsingh Scheurleer Lezing gehouden in het gebouw Felix Meritis in Amsterdam. `Style, taste and the modern interior' was de titel van de lezing, die is vernoemd naar de eerste hoogleraar Geschiedenis van de Kunstnijverheid aan de Universiteit van Leiden.

,,Toen ik in de jaren zestig studeerde, was modernisme nog iets nieuws'', vertelt Rybczynski. ,,Mijn docenten hadden nog les gekregen van lieden van het Bauhaus. Het vroege modernisme was anti-bourgeois, tegen de negentiende-eeuwse neostijlen, tegen de Victoriaanse huizen en meubelen. En daarom ook anti-comfort; comfort was iets burgerlijks. Hoe een gebouw was georiënteerd ten opzichte van de zon – dat was belangrijk en daar hielden we ons intensief mee bezig.

,,Zeker, de modernisten praatten veel over functionalisme en over de zakelijke en doelmatige vormgeving van gebouwen en voorwerpen. Maar dat was vooral retoriek. Het ging ze er vooral om dat iets er functioneel uitzag. En met `functioneel' bedoelt men tot op de dag van vandaag eerder dat iets er streng en ingenieursachtig uitziet dan dat het ook echt werkt. Zoals het Centre Pompidou in Parijs. De Victoriaanse tijd heeft heel veel functionele en uiterst comfortabele meubels opgeleverd, maar die verwierpen de modernisten – en ik zelf ook tijdens mijn studie – om stilistische redenen. Terwijl zelfs de luxe stoelen van een modernist als Mies van der Rohe, zoals de Barcelona-stoel, niet echt goed zit.''

Veel belangrijker dan functionele overwegingen zijn stijl en smaak voor architectuur en vormgeving, vindt Rybczynski. Hoe invloedrijk zoiets ongrijpbaars als smaak is, liet hij zien in zijn lezing in Felix Meritis. Hij toonde een groot aantal interieurs van architecten die allemaal als pioniers van het modernisme bekend staan. Maar toch verschilden de interieurs van elkaar, omdat de smaken van de ontwerpers – Le Corbusier, Ludwig Mies van der Rohe en Alvar Aalto – verschilden. Het ene was Spartaans en kaal (Le Corbusier), het andere koel en luxe (Mies van der Rohe), het derde juist warm en huiselijk (Aalto).

Ook bij een langdurige historische stijl als de gotiek was de voorkeur van de architecten voor bepaalde vormen van doorslaggevend belang, zo hield hij zijn gehoor in Felix Meritis voor. Een van de aanwezigen verbaasde zich over zijn opvatting dat de gotiek vooral een kwestie van smaak is. ,,Ik was ook geschokt toen ik dit voor het eerst hoorde van de Britse architectuurhistoricus John Summerson'', vertelt Rybczynski later. ,,Mij was ook altijd geleerd dat het gebruik van spitse bogen grote bouwkundige voordelen had boven ronde, Romaanse bogen. Maar volgens Summerson is er geen overweldigende noodzaak voor het gebruik van spitse bogen. Je kunt de gotische effecten ook heel goed met ronde bogen bereiken. Durham Cathedral heeft ronde bogen, maar doet technisch, bouwkundig én esthetisch niet onder voor gotische kerken. Het was een voorkeur van de ontwerpers voor nieuwe, exotische vormen die de gotiek deed ontstaan. Iets soortgelijks zie je ook bij Palladio. Hij wilde voortborduren op de klassieke, Romeinse bouwkunst, maar zijn voorkeur voor stoere verhoudingen die je in al zijn gebouwen ziet, zijn daar niet op terug te voeren. Die zijn het gevolg van zijn persoonlijke voorkeur.''

Waarom smaken en voorkeuren veranderen, is niet in een paar woorden te zeggen, vindt Rybczynski. ,,Het gaat altijd om heel complex van redenen en verbanden'', zegt hij. ,,Het eclatante succes van het modernisme in de twintigste eeuw heeft bijvoorbeeld te maken met de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Dat was zo'n cultuurschok dat men het gevoel kreeg dat de hele wereld op zijn kop was gezet. Daardoor werd men ontvankelijk voor nieuwe dingen als de modernistische architectuur.''

Maar hoe belangrijk stijl en smaak ook zijn, voor de meeste architecten zijn ze juist taboe-onderwerpen. Daarom schreef Rybczynski er in 2001 een boekje over: The Look of Architecture. Alle architecten streven naar een tijdloze architectuur, beweert Rybczynski in dit boekje, en altijd is hun streven vergeefs. ,,Soms wordt een gebouw tijdloos genoemd, alsof dat de hoogst mogelijke lof is'', schrijft hij. ,,Dat is onzin. De beste gebouwen zijn juist van hun tijd. Dat is deel van het plezier dat het kijken naar gebouwen uit het verleden geeft. Ze weerspiegelen oude waarden en verdwenen deugden en ondeugden: het zelfvertrouwen van de New York Public Library en de opgeruimde opschepperigheid van het Chrysler Building. (...) We willen gebouwen behouden, niet alleen omdat ze mooi zijn, maar ook omdat ze ons herinneren aan wie we ooit waren.''

Oppervlakkig

Architecten praten niet graag over stijl en mode, omdat dit hun vak iets oppervlakkigs geeft, denkt Rybczynski. ,,Architecten willen graag serieus zijn'', vertelt hij. ,,En ze willen dat hun werk serieus wordt genomen. Ze zijn bang dat ze een soort mode-ontwerper worden als ze praten over stijl en smaak. Een andere oorzaak is dat in de avantgarde-architectuur veel waarde wordt gehecht aan originaliteit. En ontwerpen in een bepaalde stijl betekent dat je niet alles van jezelf hebt. Avantgarde-architecten staan onder grote druk om origineel te zijn. Dat zie je aan Frank Gehry [die het Guggenheim-museum in Bilbao ontwierp, red.], een architect die ik heel hoog acht. Hij heeft een eigen stijl waarvan hij de mogelijkheden verkent, maar je hoort critici nu steeds vaker zeggen dat hij steeds dezelfde gebouwen maakt.

,,Die nadruk op originaliteit is van tamelijk recente datum. Vroeger – en dan bedoel ik grofweg vóór het einde van de negentiende eeuw – was kopiëren de basis van de architectuur. Eeuwenlang was de architectuur weinig anders dan het herinterpreteren van gebouwen uit het verleden. Maar tegenwoordig kan een moderne architect zich niet laten inspireren door andere architectuur, maar alleen nog door iets buiten de architectuur. Daniel Libeskind, de architect van het Joods Museum in Berlijn, kan zeggen dat hij een theepot als uitgangspunt neemt, maar niet dat hij zich laat beïnvloeden door het werk van zijn collega Rem Koolhaas. De enige architecten die wél praten over stijl, zijn de eclectici. De New-Yorkse Robert Stern gaat de eerste keer altijd naar zijn cliënten met een heel dik boek met allerlei historische huizen in minstens tien verschillende stijlen. Daar kunnen ze dan uit kiezen. Dat geeft hem een idee van wat ze willen.''

De drang naar originaliteit in de avantgarde leidt wat Rybczynski betreft lang niet altijd tot prettige architectuur. ,,Ik ken het werk van Rem Koolhaas alleen van foto's, maar zijn gebouwen zien er niet aantrekkelijk uit'', zegt hij. ,,Ik vind veel hedendaagse avantgardistische architectuur bedreigend. Schuine wanden zijn bijvoorbeeld in de mode, maar die geven je een ongemakkelijk gevoel. Hetzelfde geldt voor de grote uitkragingen, de scherpe hoeken en de ongebruikelijke materialen in avantgardistische gebouwen. Er zijn architecten die hun ongemakkelijke architectuur rechtvaardigen met de bewering dat de hedendaagse wereld nu eenmaal een onprettig oord is. Maar bedreigingen behoren, historisch gezien, niet tot de taak van de architectuur. Architectuur moet juist een oase van kalmte creëren in de wanordelijke wereld.

,,In de Renaissance was de wereld voor de meeste mensen nog veel onveiliger dan nu, maar de Renaissance-architecten brachten orde en rust. Zelfs de modernisten reageerden op de wanorde van Eerste Wereldoorlog niet met chaotische gebouwen, maar streefden naar een nieuwe orde. Hun wereld was niet die van vernietiging en dood, maar van helderheid, licht, orde en gezondheid.''

Andere inzichten

Verschillende boeken van Rybczynski zijn verslagen van tochten door de architectuurgeschiedenis die de schrijver zelf andere inzichten verschaft. ,,Schrijven gaat voor mij altijd over leren'', zegt Rybczynski. ,,Een recensent heeft over Home geschreven dat het mijn afrekening met het modernisme is. Maar dat was het helemaal niet. Oorspronkelijk wilde ik juist een boek schrijven over hoe de voortschrijdende techniek in de bouw ten slotte leidde tot het modernisme. Het eerste hoofdstuk dat ik schreef ging dan ook over de modernist Le Corbusier en zijn ontwerpen voor huizen in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Maar al schrijvend kwam ik tot de conclusie dat het modernisme helemaal niet iets onvermijdelijks was. Er is geen vooruitgang in de architectuur. De techniek gaat vooruit en gebouwen worden efficiënter, maar dit dicteert niet een bepaalde architectuur. Architectonische ervaringen blijven altijd dezelfde.''

Een vergelijkbaar geval van unlearning maakte Rybczynski mee toen hij in de jaren zeventig zijn eigen buitenhuis bouwde op het platteland bij Montreal. Als jong architect begon hij enthousiast een modernistisch huisje te ontwerpen, zoals hij had geleerd tijdens zijn studie. Maar al ontwerpend en bouwend kwam hij erachter dat hij dan een beperkt bruikbaar huis zou krijgen. Na veel herzieningen van het ontwerp kwam hij tenslotte uit op een huis dat verdacht veel leek op een boerenschuur zoals die al twee eeuwen in de streek werden gebouwd. ,,Dat kwam doordat ik mijn eigen klant was'', legt Rybczynski uit. ,,Vooral jonge architecten bouwen heel zelfbewust, voor hen is de klant een middel om iets moois te realiseren. Maar ik hoefde geen architectonisch statement te maken. Ik had bovendien weinig geld. En dus maakte ik uiteindelijk een gestileerde boerenschuur. Ik heb een boek geschreven over de bouw van mijn huis. The Most Beautiful House In The World, noemde ik het. Want het huis dat je zelf bouwt, is toch altijd het mooiste huis ter wereld.''

`One Good Turn' is voor 5,90 euro te koop bij boekhandel Scheltema in Amsterdam