Werk voor Pechtold

Minister Pechtold (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) is in de gevarenzone beland met een reeks oprispingen die niet zijn vakgebied betreffen, of die ingaan tegen het heilige Haagse principe dat het kabinet met één mond spreekt. Zijn portefeuille is kennelijk niet genoeg gevuld. Anders zou deze flapuit geen tijd hebben om zich in het openbaar bezig te houden met zulke uiteenlopende onderwerpen als de hypotheekrenteaftrek (moet `bespreekbaar' worden) en de uitlatingen van premier Balkenende over terreurdreiging (dragen bij aan `doemdenkerij').

Pechtold zegt wat hij denkt. Dat kan verfrissend zijn en soms is het nodig. Bovendien: ministers mogen een mening hebben, en zijn ook nog eens politici die een achterban moeten bedienen. Het is heel goed mogelijk dat menig kiezer geniet van Pechtolds neiging om van zijn hart geen moordkuil te maken. Hij profileert zich ermee en wie weet komt dat bij de stembus nog eens van pas. Maar te vaak vrijuit filosoferen over van alles en nog wat, brengt wel degelijk de homogeniteit van het kabinet in gevaar. Zich achteraf verontschuldigen maakt het er niet beter op. Het wekt de indruk van lichtzinnigheid. Een schot voor de boeg is snel afgevuurd, en als het niet bevalt: sorry. Zo'n houding wringt voor een minister van de kroon. Regeren is daarvoor een te ernstige zaak. De individuele ruimte voor meningsuiting die een bewindspersoon ontegenzeggelijk heeft – en moet nemen – vereist ,,een fijnzinnige discipline'', zoals de CDA'er Van de Camp het gisteren goed zei. Pechtold kan wat dat betreft nog veel leren.

Toch hebben ministeriële uitlatingen die haaks staan op het kabinetsbeleid, soms wel degelijk nut. Minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) schond onlangs de politieke mores door voorzichtige kritiek uit te oefenen op de inval en de oorlog in Irak. Onder druk van de premier moest hij zijn woorden over dit gevoelige dossier inslikken. Maar Bots visie op Irak was interessant genoeg om te vernemen. Op deze plaats werd naar aanleiding van het incident gezegd dat zijn presentatie staatsrechtelijk te wensen overliet, maar dat zijn gelijk van groter gewicht was. Er zijn kwesties waarover ministers niet hoeven of kunnen zwijgen, simpelweg omdat ze te belangrijk zijn om onder de eenheid van beleid te worden weggeschoffeld.

Pechtold, die nu ruim een half jaar in het kabinet zit, doet er goed aan resultaten op eigen vakgebied te boeken. In de politiek helpt het als een bewindsman niet alleen aan management by speech doet, maar ook de gestelde doelen haalt. Bestuurlijke vernieuwing en de Antillen, waarvoor hij verantwoordelijk is, zijn portefeuilles van de lange adem. Ze bieden stof te over voor dossiervreters die tegenwind niet vrezen. Wellicht zit daar de pijn. Van premier Balkenende krijgt Pechtold te weinig ruimte voor zijn vernieuwingsplannen. Een minister van Bestuurlijke Vernieuwing die in het weekblad Elsevier van zijn eigen premier te horen krijgt dat er bestuurlijk weinig te vernieuwen valt, verlegt automatisch zijn grenzen. Geef Pechtold werk, dan zal hij vaker zwijgen.