Top of flop?

Vandaag over een week treffen de politieke voorlui van de Europese Unie (EU) elkaar in Londen voor een informeel gesprek over de economie van de lidstaten. Onze minister-president zal ongetwijfeld van de partij zijn. Maar premier Balkenende kan waarschijnlijk even goed thuisblijven. Met zijn retourtje Londen verkwist hij slechts belastinggeld. Zo'n topontmoeting is alleen nuttig wanneer de deelnemers bereid zijn iets van elkaar op te steken. Die leergierigheid ontbreekt in ieder geval bij enkele van de belangrijkste spelers. Twee weken geleden hield gastheer Blair een voorbespreking met de Franse president. Bij die gelegenheid gaf Chirac te kennen dat de informele top geen debat mocht worden over de sterke en zwakke punten van rivaliserende modellen voor de Europese economie. Maar dat zou nu juist het hoofdonderwerp op de agenda moeten zijn.

Alle 25 lidstaten van de EU kennen een `gemengde' economische orde. Markten en de overheid bepalen samen welke goederen worden voortgebracht en hoe het met de productie verdiende inkomen is verdeeld. De mate waarin de overheid de uitkomsten van de marktwerking bijstuurt – via regelgeving, belastingen, uitkeringen en subsidies – verschilt echter van land tot land.

Waarnemers stellen vaak twee modellen tegenover elkaar. Aan de ene kant het Angelsaksische model. Dit is efficiënt, want markten functioneren goed. Daalt de vraag naar een bepaald product, dan kunnen overbodig geworden werknemers betrekkelijk eenvoudig worden ontslagen. De sociale uitkeringen zijn tamelijk sober. De belastingen zijn relatief laag. De rol van de vakbeweging is in verhouding bescheiden. Hierdoor zijn de inkomensverschillen groot, terwijl nogal wat huishoudens in armoede leven. Dit model (`sterk en weinig sociaal') typeert de sociaal-economische orde in Engeland en Ierland. Beide landen kennen een behoorlijke economische groei en de werkloosheid is er gering.

Daartegenover staat het continentale model, in de wandelgangen ook wel het Rijnlandse model genoemd. In landen zoals Duitsland en Frankrijk kunnen bedrijven die kampen met afzetproblemen hun werknemers veel moeilijker ontslaan. De sociale uitkeringen zijn in verhouding hoog. Belastingen en sociale premies drukken zwaar. Actieve bemoeienis met de loonvorming van een sterke vakbeweging zorgt ervoor dat de afstand tussen vloer en bovenetage van het loongebouw beperkt blijft. De bedrijvigheid in de continentale landen zit in het slop. Er zit geen vaart in de economie en de werkloosheid is er hoog, met name onder jongeren. Landen met dit model (`zwak en sociaal') zijn extra kwetsbaar voor concurrentie van opkomende economieën. Hun regeringen staan onder zware druk van bevolking en vakbeweging om bestaande banen te beschermen. Van zo'n beleid zijn twee groepen de dupe: producenten in opkomende economieën en consumenten in de rijke landen. Als gevolg van de protectie van de nationale industrie betalen zij hogere prijzen voor een smaller assortiment goederen en diensten.

Er is nog een derde model: het Noordse model. Dit combineert goede economische prestaties en een omvangrijke publieke sector. De uitkeringen zijn ruimhartig, de belastingen drukken zwaar en de inkomensverschillen blijven beperkt. De Scandinavische landen passen in de mal van dit model (`sterk en sociaal').

Met behoud van nationale verscheidenheid kunnen landen veel van elkaar leren, zeker op sociaal-economisch gebied. Maar binnen Europa ontbreekt daartoe kennelijk de bereidheid. Bondskanselier Schröder, ook aanwezig ondanks zijn op handen zijnde vertrek van het politieke toneel, zei onlangs dat het Angelsaksisch kapitalisme Europa niets te bieden heeft. Dat is aantoonbaar onjuist. De economie van de Unie in haar totaliteit presteert benedenmaats. Negentien miljoen werklozen zitten met de handen over elkaar. Al een quintennium bedraagt de economische groei in de vijftien `oude' lidstaten slechts 1 à 2 procent per jaar. Inmiddels overschrijdt het tekort op de overheidsbegroting in de helft van de lidstaten de in het Groei- en Stabiliteitspact verankerde grens van 3 procent van het bruto product.

Als instelling is de Unie eveneens vastgelopen. Een meerderheid van de kiezers in Frankrijk en Nederland heeft het constitutioneel verdrag afgewezen. Het ideaal van een federatie – die mikt op steeds dieper gaande samenwerking en verdere uitbreiding van de Unie – heeft voor grote groepen Europeanen veel van zijn aantrekkingskracht verloren. De eurocraten in Brussel en de idealen waarvoor zij zich sterk maken liggen onder vuur. In hoofdsteden van de lidstaten hamert een groeiend aantal politici op de aambeelden van nationalisme en protectionisme. Behoud van bestaande banen en bescherming van eigen ondernemingen tegen overname door buitenlandse concerns zijn in Frankrijk al tot staatszaak gemaakt. Volledig in strijd met basisbeginselen van de Unie – vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal – wensen sommige lidstaten in toenemende mate barrières op te werpen, bijvoorbeeld tegen de invoer van textiel uit China en de intocht van Poolse loodgieters.

De komende top in Londen had een mooie gelegenheid kunnen zijn voor een diepgaande gedachtenwisseling over voor- en nadelen van de 25 binnen de Unie toegepaste varianten van een gemengde economische orde. Het laat zich aanzien dat die kans wordt gemist. Dan kan premier Balkenende inderdaad beter thuisblijven. Er is in eigen land genoeg te doen.