Strijken in Shanghai

Fietsen is er bloedlink, maar strijken is ook geen eenvoudige opgave in Shanghai.

Direct na zijn eindexamen Filmacademie deze zomer is mijn zoon naar Shanghai vertrokken, met een visum voor zes maanden. Waarom Shanghai? Onnozele vraag. In die stad gebeurt het allemaal tegenwoordig, daar moet je zitten! New York is alweer een gepasseerd station. Mijn zoon is er een film aan het voorbereiden waarop hij in Amsterdam al een halfjaar heeft zitten broeden. Een film over het leven van een paar Chinese jongeren die uiteenlopend reageren op hun booming metropole met zijn keiharde werktempo, zijn torenflats met bordkartonnen scheidingswandjes en standaard ingebouwde whirlpools en zijn desinteresse voor alles wat oud, pittoresk en kleurrijk `typisch Chinees' is.

De meeste jongeren voor de film moeten nog gevonden worden en dat levert aardige e-mailberichten op. Vorige week ontmoette mijn zoon in een bus een jongen met zijn moeder die hem heel geschikt leken, maar doordat hij zich in het Mandarijn niet verstaanbaar kan maken, mislukte iedere poging die mensen duidelijk te maken waarom hij zich voor hen interesseerde. Ten slotte belde hij mobiel een Chinese vriendin in Amsterdam met het verzoek of zij de beoogde acteurs wilde vertellen wat hij in hen zag. Moeder en zoon rolden met de telefoon aan hun oor uit de bank van het lachen en de Amsterdamse vriendin verklaarde dat zij niet wilden geloven dat die komieke, blonde reus in korte broek filmdirector kon zijn. Filmregisseurs hadden een pak aan en zaten niet in een bus, maar in een limousine. Mijn zoon kreeg een viskoekje, maar niet hun telefoonnummer.

Sinds mijn troetelkind (hij leest dit toch niet) het huis uit is, lijd ik aan het lege-nest-syndroom, zonder betrokkene – die al unverfroren gemeld heeft langer te willen blijven, omdat hij het zo naar zijn zin heeft – daarvan deelgenoot te maken, natuurlijk; we laten ons niet kennen. Mijn neiging steeds naar het wasmachinehok te lopen om neergegooide broeken en T-shirts uit te sorteren heb ik intussen onder bedwang, groenten die mijn oogappel niet lust, koop ik weer zonder blikken of blozen en bij mijn computergestuntel draaft nu een handige meneer uit de Gele Gids op. Wat ik niet moet doen is op de stille, opgeruimde kamer van mijn zoon op het bed gaan zitten.

Gelukkig zijn er goedkope Chinese telefoonkaarten, waarbij je niet op tien minuten hoeft te kijken. Bijna altijd ben ik degene die belt, want hij is van het type `geen bericht goed bericht' en beheert bovendien een krap budget. Als de telefoon overgaat, stel ik me zijn appartement voor: acht hoog in een oud gebouw dat nog gespaard gebleven is. Er is geen lift en vanuit het trappenhuis kijk je binnen bij alle families die er wonen, want niemand houdt zijn deur dicht. De achtste verdieping wordt 's avonds overstraald door blauwig neonlicht uit de kantoortoren ertegenover, totdat daar om tien uur het licht uitvalt in het kader van de elektriciteitsbesparing. Een lekker surrealistisch sfeertje, vindt mijn zoon, beetje Bladerunner.

,,Heb je nog veel gefietst?'' vraag ik. Een van de eerste dingen die hij in Shanghai gekocht heeft is een fiets. Bloedlink in een verkeerschaos waarin geen regels ten opzichte van fietsers lijken te gelden, maar wel de manier om de stad te leren kennen.

,,Er valt niet te fietsen'', zegt mijn zoon. ,,We zitten midden in een tyfoon. Je waait weg als je buitenkomt. Toch heb ik vanochtend wel boodschappen gedaan. Weet je wat ik gekocht heb? Een strijkplank. Een strijkbout had ik al.''

Ik kan mijn oren niet geloven.

,,Niet zo slim om te doen tijdens een tyfoon!'' voegt hij toe en er klinkt een hoop gegrinnik aan de andere kant.

Tyfoon of niet, de aankoop maakt mij sprakeloos. En `een strijkbout had ik al'! Ja, hoor, in China dus wel!

,,Eerst deed ik het op tafel, maar dat gaat niet. Helaas is het zo'n klein Chinees kutstrijkplankje. Ik moet helemaal krom staan.''

,,Maar lukt het? Het strijken?''

,,Natuurlijk'', zegt mijn zoon. ,,Waarom zou het niet lukken?''

Over huishoudelijke zaken wil hij nooit doorpraten, dus hij begint te vertellen over zijn bezoek aan een oud tempelcomplex, dat voor toeristen aantrekkelijker gemaakt is door er een MacDonald's op het binnenplein te zetten.

,,Benieuwd hoe lang het duurt voor ze vette spijt krijgen van zulke dingen'', zegt hij wijsgerig. Ik luister en probeer mijn gedachten niet te laten afdwalen naar die strijkplank.

Maar 's avonds, als ik voor het naar bed gaan nog wat door het huis loop te rommelen, staat me voortdurend het beeld voor ogen van mijn boomlange, slungelige zoon, gebogen over een Chinees strijkplankje, beschenen door blauw licht uit kantoortorens. Lekker surrealistisch, beetje Bladerunner.