Privatisering bedreiging voor democratie

De privatisering van grote delen van de publieke sector vormt een gevaar voor de democratie, meent Frank Ankersmit. In West-Europa wordt door de neoliberalen op een schandelijke wijze geknoeid met onze souvereiniteit. Het gevolg is een refeodalisering van de samenleving, terwijl we terug zouden moeten naar een sterke staat. Volgens Paul Frissen is deze sterke staat al volop in ontwikkeling. Hij schetst een zorgelijk toekomstbeeld: de staat als panopticum.

Thorbecke zou de schrik om het hart geslagen zijn, als hij de hedendaagse privatiseringsideologen aan de slag had gezien. Hij zou het veroordeeld hebben als een refeodalisatie van de staat.

De Franse Revolutie (1789) introduceerde de moderne staat waar de scheiding tussen publiek- en privaatrecht werd bewerkstelligd.

Doordat hiermee definitief een einde kwam aan het feodalisme, kon de liberale democratische orde tot stand komen waarin wij, tot voor kort, nog leefden. Ik benadruk: tot voor kort, omdat het eerste axioma van de liberale staat is dat men publieke bevoegdheden nooit en te nimmer mag `privatiseren' door die te verkopen of over te dragen aan private instanties. Met soevereiniteit mag niet geknoeid worden. En zeker niet in de schandelijk mate waarin dat de afgelopen decennia in West-Europese staten gebruikelijk is geworden. Het gevoel voor staatsrechtelijke zuiverheid zijn wij kwijtgeraakt. Alles wat liberalen ooit veroordeelden als ,,verwerpelijk misbruiken van het ancien régime'', wordt nu onder neoliberaal gejuich weer binnengehaald.

Voor die refeodalisatie van de staat wil ik wijzen op de zogenaamde ZBO's (Zelfstandige Bestuursorganen), die ook bekendstaan als RWT's (Rechtspersonen met een Wettelijke Taak) of als Quango's (Quasi-Nongovernment Organisations). De omvang van de `Quangocratie' in Nederland is enorm.

Op dit moment werken er meer ambtenaren bij de Quango's dan bij de departementen. In 2004 hadden we 3.200 Quango's die 109 miljard euro aan publiek geld besteden (dus meer dan tweederde van het hele budget van het rijk), waarvan 35 miljard direct uit de schatkist en de overige 74 miljard uit premies en tarieven die door de Quango's zelf worden geïnd.

Volgens politici zijn deze Quango's efficiënter dan de overheidsbureaucratie, omdat ze onderworpen zijn aan de tucht van de markt, dichter bij de burger staan en professioneler opereren. Maar objectieve buitenstaanders, zoals politicologen of controle-organen zoals de Algemene Rekenkamer, treffen in de politieke realiteit maar weinig van die zegeningen van de Quango's aan. Waarom beoordelen politici de Quango's zoveel positiever dan de objectieve buitenstaander?

Het antwoord moet zijn dat deze organisaties blijkbaar een belang dienen dat politici wel, maar de burgers niet zien. Het bestaan van de Quango's toont aan dat de overheid een privé- of eigenbelang is gaan ontwikkelen dat zich heeft losgeweekt van het publieke belang.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Het is een goede vraag, want de Quango's zijn niet een teken van kracht, maar juist van zwakte van de hedendaagse staat. Dit blijkt vooral als we naar Engeland kijken, waar de mode van de Quango's een twintig jaar ouder is dan hier. In de jaren '70 werden deze organisaties onder politici zeer populair, toen de Engelse regering zwak stond tegenover de vakbonden. De regering kon en wilde niet voldoen aan hun eisen voor loonsverhoging, maar had te weinig politiek gezag om het te weigeren. Men zocht een uitweg door Quango's in het leven te roepen. In feite betekende dit dat men delen van de staat verzelfstandigde, opdat de vakbonden daar met hun vieze vingers niet meer aan kunnen komen. En zo is het met de Quango's: de staat kan een directe confrontatie met de samenleving niet aan en plaatst daarom een soort stootkussen tussen zichzelf en de maatschappij.

Dit herinnert weer sterk aan het feodalisme. In die periode was sprake van een zwakke staat die de politieke uitdagingen niet aankon. Zowel toen als nu werd het antwoord daarop niet gezocht in een versterking maar in een opdeling en verspreiding van die staat. In het feodale leenstelsel werd die opdeling gerealiseerd doordat de vorst zijn bevoegdheden delegeerde aan zijn vazallen, die daarmee zelf kleine vorstjes werden. De relatie tussen vorst en vazal werd gedefinieerd binnen het leenrecht, wat in essentie een privaat en geen publiek recht is. Ook de relatie tussen de Quango's en de staat is doorgaans privaatrechtelijk vastgelegd. Dat geldt zeker voor de contracten waarin nadere afspraken tussen staat en Quango worden gemaakt. Want deze convenanten zijn als de eed van trouw die de vazal aflegt aan zijn leenheer.

In feite betekent de introductie van de Quango's een gedeeltelijke terugkeer naar het ancien régime. Zij dragen geenszins bij tot de `modernisering' van het openbaar bestuur. Juist in de verhouding tussen publiek- en privaatrecht hebben de Angelsaksische landen de feodaliteit nog niet geheel overwonnen. Wij importeren dus iets wat in wezen `middeleeuws' is.

Door deze refeodalisering van de liberale staat wordt het voortbestaan van de democratie op twee manieren bedreigd. In de eerste plaats stimuleert die refeodalisering een herstel van de middeleeuwse standenstaat. Wie kijkt naar de Verenigde Staten van Bush, constateert dat daar de privatisering van de overheid de democratie reeds in een rauwe plutocratie heeft getransformeerd. Zover is het hier gelukkig nog niet, maar we gaan wel die richting uit. In de tweede plaats kunnen we van het feodalisme leren dat ieder politiek lichaam dattussen staat en volk komt te staan, ervoor zorgt dat beide van elkaar vervreemden. Als dat de politieke werkelijkheid wordt, dan is de democratie dood.

Prof. Frank Ankersmit is als hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dit is een ingekorte versie van een lezing die hij gisteren heeft uitgesproken op een debatavond georganiseerd door de Stichting Thorbecke Zwolle.