Het beeld

Twee Amsterdamse komedianten, Max Tailleur (1909-1990) en de in 1925 in de Kinkerbuurt geboren Johnny Kraaykamp sr., werden gisteren met een televisieportret geëerd. Er waren meer overeenkomsten.

Zo noemde de rubriek Het uur van de wolf (NPS) het portret dat Laetitia Schoofs van Tailleur maakte Ik lach om niet te huilen en toonde een vriend van de legendarische moppentapper een door deze gemaakt schilderij van een clown met tranen in de ogen. De rubriek Profiel (KRO) begon de aflevering van Fons de Poel en Heleen Minderaa over de oude Kraay (Een kind van tachtig) met de gemeenplaats ,,achter de lach heerst de leegte''.

De meeste makers van zulke televisieportretten schrikken niet terug voor een cliché. Om het spannend te houden wordt aan allerlei familieleden en bekenden gevraagd eerlijk de slechtste eigenschappen van de hoofdpersoon op te biechten. Het moet wel een beetje spannende televisie opleveren. Profiel blijft maar een treetje achter bij de twee optimaal de controverse zoekende rubrieken, Het zwarte schaap (VARA) en Hoge bomen (AVRO).

Kraaykamp kreeg wel degelijk ook de aandacht en waardering die zijn vakmanschap verdient, onder meer door bewonderende woorden van collega-acteur Pierre Bokma. Van de familieleden poneerde Johnny Kraaykamp jr. een oprecht klinkende analyse door te stellen: ,,Mijn vader is niet echt een vriend van zichzelf'', gevolgd door een beschrijving van een alcoholistisch verleden en verslaving aan het succes. ,,Toch zou ik geen verstandige vader, die een pijp rookt, gehad willen hebben'', voegde hij er liefdevol aan toe. De mooiste getuigenis leverde echter een zuster van Kraaykamp sr., die een overtuigende imitatie gaf van de schalkse blik van haar broer, wanneer die als kind ontkende iets stouts te hebben gedaan. In een oogopslag verklaarde ze daarmee de oorsprong, de levensechtheid en de beperkingen van een groot talent voor timing en mimiek.

De uit een scenarioworkshop van IDFA voortgekomen `documentaire' over Max Tailleur berust op een misverstand. Toen Pieter Fleury in 2002 een persoonlijk en ontroerend documentair portret van Ramses Shaffy maakte, verhulde de maker niet als kind naast de door velen begeerde zanger-acteur te hebben gewoond. Het schiep een band en een uitgangspunt. Dat de als maakster debuterende Laetitia Schoof in haar jeugd Tailleurs buurmeisje was, is nu veel minder relevant. Dat geldt in nog sterkere mate voor het gegeven dat haar moeder, een weduwe, met Tailleur alias `mijnheer Jansen' uit eten ging, zonder dat zijn vrouw dat wist. Dit toevallige detail wordt geheel ten onrechte gebombardeerd tot rode draad en clou van een portret dat veel kansen mist. Het interessantste deel levert de suggestie dat veel joden helemaal niet zo blij waren met de Jiddische stereotypen van Sam, Moos en Saar, en dat, volgens Ed van Thijn, vooral provincialen Tailleurs theatertje De Doofpot bezochten. Je zou ertegen in kunnen brengen dat Tailleur zo wel een na de oorlog bijna verdwenen cultuur aan de vergetelheid ontrukte. Over de echte motieven van Tailleur laat Schoof ons in het duister tasten, op een geldgebaar van een van de getuigen na. Een niet zo aardig portret, dus.