Laat oktober een wrede maand worden

Niet alleen Saddam Hussein moet rekenschap afleggen, ook voor Libanon en Syrië is het vijf voor twaalf. Eén rapport (van VN-onderzoeker Detlev Mehlis) kan verschillende machthebbers lelijk in verlegenheid brengen, betoogt Mona Eltahawy.

Niet april, zoals T.S. Eliot meende, maar oktober zal de wreedste maand worden voor de oude mannen die lang de Arabische wereld hebben geregeerd. En wat hen het meeste verontrust, is dat ze rekenschap zullen moeten afleggen – in het Midden-Oosten een bijzonder ongrijpbaar begrip.

Met het begin van het proces tegen Saddam Hussein vandaag en op 25 oktober een VN-rapport aan de Veiligheidsraad over de moord op de Libanese oud-premier Rafik Hariri, zou oktober het begin van een Arabische Herfst kunnen zijn, waarin wij het oude afwerpen en ons voorbereiden op het nieuwe.

We zijn er niet zo aan gewend om onze leiders rekenschap te zien afleggen dat het voor de bevolking van de hele Arabische wereld – en niet alleen die van Irak – wel eens louterend zou kunnen blijken om te zien hoe Saddam verantwoordelijk wordt gesteld voor moord met voorbedachten rade, marteling, verbanning en verdwijningen wanneer hij wordt berecht wegens een slachting van sjiieten in 1982.

Terwijl de gewone Arabieren hun leiders misschien hetzelfde lot toewensen, zal onze dictators ongetwijfeld het zweet uitbreken. Zij zullen zich even muisstil houden als zij deden over het bloedbad in Irak – dat zij maar al te graag negeren zolang het de vernedering en een mogelijke nederlaag voor de Verenigde Staten betekent – of er komen oproepen tot een eerlijk proces van juist die leiders in wier landen zoiets een luxe is.

Intussen is dit precies waar het om gaat voor degenen die zich blijven beklagen over de `vernedering' die Saddam wordt aangedaan.

,,Dit is het minste dat gedaan kan worden om alle pijn te verzachten die hij en zijn bewind een heel volk hebben toegebracht'', klaagt een Iraakse vriend van mij wiens ouders het Irak van Saddam zijn ontvlucht toen hij nog klein was. ,,Stel je voor – alle hulpbronnen, van mens en natuur – alles werd ingezet voor hem en het genoegen van zijn familie. Ik ben tegen de doodstraf, maar ik ben bereid in dit geval een uitzondering te maken'', zegt hij. ,,Ik hoop dat zijn proces, veroordeling en ophanging openbaar zullen zijn. Alleen maar om andere dictators en bloeddorstige tirannen het vreselijke einde voor te houden dat hun misschien zelf ook wel wacht.''

Wij zijn niet vergeten dat Saddam net als veel dictators in het Midden-Oosten eens een bondgenoot was van dezelfde Verenigde Staten die Irak binnenvielen om hem af te zetten. Ook de Verenigde Staten mogen dus wel enig zweet uitbreken wegens een buitenlandse politiek die al te vaak onze dictators heeft gesteund.

Maar nu rekenschap wordt afgelegd, ben ik het eens met mijn Iraakse vriend: ,,Zelfs als de duivel zelf de Irakezen hulp had aangeboden, zou ik die, denk ik, hebben aangenomen.''

Ook voor Libanon en Syrië is de tijd gekomen om rekenschap af te leggen. VN-onderzoeker Detlev Mehlis zal naar verwachting een rapport uitbrengen waarin niet alleen wordt gewezen naar de opdrachtgevers tot een moord die de Libanese politiek op haar kop heeft gezet en Syrië heeft gedwongen zich uit Libanon terug te trekken, maar ook naar de schimmige wereld van het Syrisch-Libanese politieke cliëntelisme en de grensoverschrijdende corruptie waartoe dit aan weerskanten heeft geleid. Eén slachtoffer is al gevallen: de Syrische minister van Binnenlandse Zaken Ghazi Kanaan, eens de man die achter de schermen de feitelijke leiding over Libanon had.

Volgens het Syrische bewind heeft Kanaan de hand aan zichzelf geslagen, nadat de karaktermoord in de Libanese media zijn trots dodelijk had gekrenkt. Maar de Arabische complotmolens leveren tal van alternatieve theorieën, waarin zijn dood direct of indirect in verband wordt gebracht met het onderzoek van Mehlis, die Kanaan en zes andere Syriërs onlangs in Damascus heeft ondervraagd.

Hoe dit ook zij, het rapport-Mehlis kan als een katalysator worden beschouwd. Kanaan was niet gewend aan kritiek op zijn gedrag in de media van een land dat hij gewend was te leiden. Ook zou president Bashar Assad de zorg over de bevindingen van het rapport kunnen gebruiken om zich te ontdoen van de lastige restanten van de oude garde die hij van zijn vader Hafez heeft geërfd.

Het zou verstandig zijn als Bashar Assad deze gelegenheid zou aangrijpen om lang beloofde maar uitgestelde hervormingen door te voeren. En zijn bewind mag niet vergeten om naar aanleiding van het rapport-Mehlis eventueel rekenschap af te leggen.

Terwijl Syrië in de verdachtenhoek zit wat betreft de dood van Hariri en Kanaan, zal het rapport-Mehlis ook Libanon ter verantwoording roepen. Als het rapport het koord van de corruptie lostrekt dat tijdens de Syrische jaren in Libanon gevlochten werd, zal in Damascus én in Beiroet veel aan het rollen komen.

Arabische leiders en overheidsfunctionarissen zeggen graag dat corruptie overal voorkomt en zij wijzen dan voldaan naar het buitenland. Zo hebben sommige Arabische kranten veel aandacht besteed aan de zaak met campagnegelden in Texas, waarin de ex-leider van de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, Tom DeLay, werd beschuldigd van witwaspraktijken en samenzwering. Maar het is zeldzaam dat een corruptiezaak in de Arabische wereld voor het gerecht komt als er een zittende leider of functionaris bij betrokken is.

Het rapport-Mehlis brengt daar verandering in.

De aanblik van Irakezen en Palestijnen die eerder dit jaar naar de stembus gingen, en van Libanezen die met duizenden tegen de moord op Hariri betoogden, leidde tot bespiegelingen over een Arabische Lente. Maar de herfst is het jaargetijde waarin tuinbouwers de zaden voor de lente planten – en rekenschap is het zaad dat wij deze herfst in de Arabische wereld planten. Laten we hopen dat het frisse, levenskrachtige bloesems zal gaan dragen.

Mona Eltahawy is columnist van de pan-Arabische krant Asharq al-Awsat.

© New York Times syndicate