De Danser, smokkelaar en superinfiltrant

In zijn woonplaats Schoonebeek is afgelopen maandag op 72-jarige leeftijd de criminele superinfiltrant Dick Stotijn overleden. De in Suriname geboren Stotijn was de afgelopen 25 jaar een van de belangrijkste handlangers en informatieverschaffers over het misdaadmilieu van de Nederlandse, Duitse en Amerikaanse politie.

Stotijn maakte in de jaren zestig en zeventig in Brabant furore als leider van de onderwereld. Hij smokkelde alles waar maar geld mee te verdienen was: van boter tot whisky en wapens tot heroïne. Vanaf de jaren tachtig, toen hij door de ziekte lepra beide onderbenen verloor en in een rolstoel belandde, leefde Stotijn voornamelijk van het verkopen van zijn criminele contacten en kennis aan alle mogelijke opsporingsdiensten. In de tijd dat de Nederlandse politie nog straffeloos kon infiltreren en ook uitlokken geen doodzonde was, maakte Stotijn snel carrière als justitiële hulpkracht in buitengewone dienst.

De voornaamste politieoperatie van Stotijn betrof een actie van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) om halverwege de jaren tachtig de toenmalige Surinaamse legertop te ontmaskeren als cocaïnehandelaren. In nauwe samenwerking met de Nederlandse politie legde Stotijn vanaf de Nederlandse Antillen contacten met de top van het Surinaamse drugskartel.

Uiteindelijk bleken Surinaamse legerleiders bereid tegen betaling de aanleg van drugslaboratoria in het Surinaamse binnenland te gedogen. Toen de toenmalige legerleider Desi Bouterse zich persoonlijk met de drugszaken bemoeide, besloot de Nederlandse politie de operatie wegens te grote politieke gevoeligheid af te blazen. De collega's van de Amerikaanse drugsbestrijdingorganisatie DEA zetten de infiltratieactie met Stotijn voort en arresteerden uiteindelijk in de Amerikaanse plaats Miami onder anderen de rechterhand van Bouterse, kolonel Etienne Boerenveen. Hij werd tot 12 jaar cel veroordeeld.

Na deze operatie en de getuigenis van Stotijn voor een rechtbank in Miami liep zijn leven voortdurend gevaar. Hij leefde sindsdien onder schuilnaam in Drenthe vlakbij de Duitse grens. Voor buurtbewoners was Stotijn een anonieme duivenmelker. Maar vanaf zijn onderduikadres bleef hij criminele handlangers verlinken.

Vooral menige Colombiaanse drugshandelaar is door infiltrant Stotijn in de val gelokt. Stotijn, die over een uitstekend geheugen beschikte, voerde naar eigen zeggen al in 1981 in Nederland een gesprek met de grootste drugsbaron van Colombia, Pablo Escobar, over de export van cocaïne naar Nederland.

Na de IRT-affaire halverwege de jaren negentig, waarin de Nederlandse politie in opspraak kwam wegens vergaande infiltratie, kregen Nederlandse agenten de opdracht om niet meer met Stotijn te werken. Hij bleef toen overigens nog wel werken voor het Duitse Bundeskriminalamt (BKA) in Wiesbaden. De Duitse politie leverde hem zelfs een gepantserde Mercedes met satellietapparatuur die Stotijn gebruikte tijdens infiltratieoperaties op Nederlands en Duits grondgebied.

Het ging om acties die strikt geheim werden gehouden voor de Nederlandse autoriteiten om diplomatieke incidenten te voorkomen. Stotijn werd door de Duitse politie vooral ingezet om valsemunters op te sporen. In een van die acties liep in 1997 de Nederlandse meesteroplichter `Heer' Olivier tegen de lamp in Frankfurt. Hij werd gepakt toen hij valse dollars verkocht aan Duitse undercoveragenten.

Stotijn is de afgelopen jaren in Nederland ook zelf nog vervolgd, omdat hij volgens justitie drugs smokkelde. Vaak ontsprong hij de dans, omdat zijn beroerde lichamelijke gesteldheid detentie vrijwel onmogelijk maakte. Vorig jaar sprak de Rotterdamse rechtbank Stotijn vrij wegens gebrek aan bewijs na een vervolging wegens de import uit Panama van 509 kilo cocaïne.

De avonturen van Stotijn zijn door de journalisten Marcel Haenen en Hans Buddingh' vastgelegd in een in 1994 door de Arbeiderspers uitgegeven biografie. Het boek heet De Danser, een bijnaam die de Drug Enforcement Administration gaf aan de Hollandse infiltrant. Stotijn was de laatste maanden van zijn leven in gesprek met een Duitse productiemaatschappij over het maken van een speelfilm over zijn leven.