De aanklachten

De speciale rechtbank waarvoor Saddam Hussein (en zeven medeverdachten) terecht staat, werd in december 2003 opgericht door het Amerikaanse civiele bestuur in Irak. Onder de jurisdictie van het tribunaal vallen alle verdachten van ernstige politieke misdaden, begaan tussen 17 juli 1968 (toen Saddams Ba'ath partij voor het eerst aan de macht kwam) en de omverwerping van Saddams regime na de Amerikaanse invasie in 2003, zo werd bekendgemaakt.

Daarbij gaat het om aanklachten wegens genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, ondergraving van de rechtsgang, verduistering van publieke fondsen, alsmede wegens het voeren van oorlog tegen een andere Arabische staat, in casu Koeweit.

Afgelopen juni kondigde de Iraakse regering aan dat Saddam in eerste instantie zal worden vervolgd in twaalf zaken wegens misdaden tegen de menselijkheid.

In het proces dat vandaag is begonnen, gaat het om de dood in juli 1982 van meer dan 140 mannen en jongens in de stad Dujail, ongeveer 60 kilometer ten noorden van Bagdad. Ze werden standrechtelijke geëxecuteerd uit wraak voor een mislukte moordaanslag op Saddam toen deze op bezoek was in Dujail. Ook terecht staan onder anderen een van Saddams halfbroers, oud-chef van de inlichtingendienst Barzan al-Tikriti, en de vroegere vice-president Tahir Yassin Ramadan.

De andere zaken waarvoor Saddam zich later voor het tribunaal zal moeten verantwoorden, betreffen onder andere:

De gasaanval op de Koerdische stad Halabja in 1988. Daarbij werden bijna 5.000 mensen gedood.

De liquidatie van vele politieke tegenstanders en religieuze leiders.

De moord op en deportatie van meer dan 10.000 Koerden, eind jaren tachtig.

De wrede onderdrukking in 1991 van de shi'itische opstand in het zuiden van Irak.

De (illegale) bezetting van Koeweit.