Schotse trots en Litouwse miljoenen

Na het gelijkspel tegen Celtic is Heart of Midlothian nog de verrassende koploper in het Schotse voetbal. Een steenrijke Litouwer redde de club uit Edinburgh.

`Heart of Midlothian. Er bestaat geen romantischer naam in het wereldvoetbal.' Zo opent biograaf Roddy Mackenzie The History of Edinburgh's Oldest League Club. Stijlvollere shirts zijn er evenmin. Het paars is ongeëvenaard, een combinatie van rood en blauw, de kleuren van de twee oorspronkelijke ploegjes, St. Andrews en Hearts, die in 1877 samensmolten tot het trotse Heart of Midlothian Football Club. Die gleed begin dit jaar nog naar de rand van de afgrond, maar de Litouwse mecenas Vladimir Romanov bracht redding. Hij bouwde een nieuw team rond de internationals Jankauskas (Litouwen), Fyssas (Griekenland), Skacel (Tsjechië) en de Braziliaan Camazolla. Het hart van het elftal bleef Schots: de tandem Pressley-Hartley.

Hearts is de club van het Schotse establishment, protestants en liberaal-conservatief. Tegenover de katholieke sociaaldemocratische Ierse migrantengemeenschap, die in Edinburgh zijn eigen club heeft, Hibernian, en tegen de Engelse dominantie over het Verenigd Koninkrijk. Edinburgh is het politieke, culturele en militaire machtscentrum van Schotland, met Hearts als voetballende afdeling.

Het begrip Heart of Midlothian vindt zijn oorsprong in de gelijknamige roman uit 1818 van de in Edinburgh geboren Sir Walter Scott. De nationale Schotse literator zette de Schotse identiteit af tegen de Engelse onderdrukking via de beschrijving van de heldhaftige voettocht van Jeanie Deans vanuit het hart van Midlothian, de regio tussen Edinburgh en Glasgow, naar Londen, om haar ten onrechte van kindermoord beschuldigde zus vrij te pleiten. Tegen de achtergrond van het verhaal de gehate Tolbooth-gevangenis: Schotse vrijdenkers die in opstand kwamen tegen de onrechtvaardige Engelse handelswetten, deelden er hun laatste dagen met criminelen. De gevangenis heette in de volksmond Heart of Midlothian, omdat in de stenen muur een hart was gekerfd dat tot vandaag zichtbaar is. Daar, op het voormalige executieplein, speelden de Hearts hun eerste duels. In 1886 vestigde de club zich op Tynecastle, waar het tot op de dag van vandaag speelt. Heart of Midlothian was ook de naam van een danszaal die de oprichters van de club frequenteerden.

In het seizoen 1914-1915, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, maakten de Hearts indruk met acht zeges in evenveel wedstrijden. Toen in november 1914 de gevechten uitbraken, bood het hele elftal zich aan als vrijwilliger. Vierhonderd fans volgden. Ze vormden de `Company of the 16th Royal Scots'. Zeven spelers van het eerste elftal brachten het ultieme offer voor hun land; ze overleefden de De slag bij de Somme niet.

Pas dertig jaar later zou Hearts zich van deze klap herstellen. In 1948 kondigde een nieuwe lente zich aan, met de intrede van Willy Bauld. Hij is dé held uit de Heartshistorie en de enige Schotse voetballer in de jaren vijftig met een vetkuif. Hij spiegelde zich aan filmsterren en de opkomende rock-en-rollzangers. Op het veld was hij het product van de `passing game' uit de Schotse mijnwerkersvoetbaltraditie. Hij vormde `The Terrible Trio' met Alfie Conn en Jimmy Wardaugh. Samen scoorden zij het onwaarschijnlijke aantal van 952 goals in ruim tien seizoenen. De stadions puilden uit. Bauld was succesvol, maar miste tijdens de glorieuze jaren '58 en '61 – met de landstitels – door blessures gedwongen vele duels. Het typeerde zijn nukkige leven.

De definitie van Bob Crampsey in het boek The Scottish Footballer is volledig van toepassing op de man die The King of Hearts werd genoemd: ,,Hij is vechtlustig, ongeduldig en ongedisciplineerd. Zijn kracht is de improvisatie. Hij aast op bravoure met de bal. Hij zoekt de zelfdestructie. Hij is de Schotse voetballer.'' Baulds relatie met de club eindigde nadat hij in 1963 niet de volledige opbrengsten van zijn benefietwedstrijd mocht opstrijken. Hij verscheen twaalf jaar niet meer op Tynecastle en stierf, even na zijn terugkeer, op zijn 49ste tijdens een supportersavond.

Met de club ging het bergafwaarts. Ook Schotland werd tussen 1975 en 1985 getroffen door een epidemie van gewelddadige en racistische voetbalbendes, met een prominente rol voor `fans' van de Hearts. Dougie Brimson beschrijft in zijn wereldwijde onderzoek The rise and rise of Europe's Football Hooligans de spijkerharde paarse bendes met `extreem-rechtse punkers, new wavers en skinheads'. Bulldog, het blad van het fascistische National Front, werd openlijk verkocht bij het Tynecastle-stadion.

Sportief gezien was Heart of Midlothian er niet beter aan toe. De club degradeerde zelfs in 1981 en verbleef voor het eerst in de tweede afdeling, twee jaar lang. Succes liet lang op zich wachten: in 1998 won Hearts de Schotse Cup, de eerste trofee sinds 1963. Het leek een keerpunt, maar de club stevende later af op een faillissement. De Litouwse bankier Romanov bracht redding. De man die met zijn vermogen van 400 miljoen euro de rijkste Litouwer is, trok in januari van dit jaar met een participatie van 1,2 miljoen euro 29,9 procent van de beursgenoteerde club naar zich toe. Hij maakte ook een begin met schuldsanering. Binnen een paar jaar wil de man die zich spiegelt aan de Russische geldschieter van Chelsea, Roman Abramovitsj, Celtic en Glasgow Rangers naar de kroon steken en meedraaien in de Champions League.

De Litouwer legde de basis voor zijn fortuin door als `vrije jongen' aan het eind van de jaren zestig met een bestelwagen door de Sovjet-Unie te rijden en illegale Beatlessingles te verkopen. De fans van Hearts zingen nu het nummer `Revolution' van de Fab Four ter ere van hun mecenas.