Punk

,,Schlagers, hits, tophits markeren de geschiedenis. Ga het maar na in uw eigen geheugen'', schreef Henk Hofland twee weken geleden in de vrijdagrubriek. Ik ging het na in mijn geheugen, en ontdekte dat het klopt. Maar ik stuitte ook op een kolossaal zwart gat. Tussen mijn veertiende en drieëndertigste jaar wemelt het van de hits en de tophits, complete albums liggen in het geheugen opgeslagen, alleen, de begeleidende geschiedenis ontbreekt. Kennelijk was ik in die periode los van de wereld.

Dat zwarte gat is mijn professionele sportcarrière, van de dromende debutant tot de olie verbruikende routinier. Waarmee ik maar wil aangeven dat topsport en het dragen van oogkleppen hand in hand gaan. In mijn topsportgeheugen is popmuziek uitsluitend gekoppeld aan pedalen – in een uitzonderlijk geval aan een vrouw – hoewel ik toch regelmatig naar het journaal keek.

Ik verneem uit de krant van 6 oktober dat fotograaf Anton Corbijn een film maakt over Ian Curtis, de zanger van Joy Division. Die film moet ik zien. Als er één band is die mijn gehengst op de pedalen muzikaal begeleid heeft dan is het Joy Division.

Ergens in het voorjaar van 1980 trekt mijn jongste zusje zich in het gezelschap van een punk terug op haar kamer. De versterker gaat open. Teruggetrokken achter een andere deur kan ik niet anders dan meeluisteren: ik was meteen verkocht. Navraag leerde me dat het om Closer ging, het tweede album van Joy Division. Ik was punk noch post-punk, ik behoorde tot geen enkele beweging, cult of geestelijke zijrivier. Uit vrije wil leidde ik afgesloten van het `echte' leven het magere maar gretige bestaan van de autistische amateurwielrenner die op het punt stond een profcontract te verdienen.

`In arenas he kills for a prize/ Wins a minute to add to his life', zong Curtis. Natuurlijk verstond ik het niet letterlijk. Curtis was niet te verstaan. Nooit. Hij klonk alsof hij in een ravijn woonde. Pas veel later legde ik de hand op de gedrukte lyrics. Maar deed het er iets toe? Die muziek ging over mij, dat was duidelijk.

Kon je de pop van Joy Division definiëren? Was het wel pop? De muziek was humorloos, niet onderhoudend, geen ironie, geen cynisme, geen uitnodiging tot dans of andersoortige beweging; geen vermaak, geen gelul; afstotelijk, oeverloos en wereldvreemd; het was wat het was, wanhoop zonder grenzen. En toch werd er een galmende en hoogst aantrekkelijke kathedraal opgericht. Onder het putdeksel van Curtis en de zijnen kreeg ik eindelijk lucht.

Ik puberde midden jaren zeventig. De schatkist was vol, ik hoefde maar te kicken en er was geld. Voor de schoolopleiding, voor de vervolgstudie, voor de bijstand volgend op de vervolgstudie, kortom, de wereld (Nederland) was af: compleet, verstikkend. Waar was uitkomst, waar het avontuur en waar het experiment? Op de pedalen?

Ian Curtis is allang dood, net als het vriendje van mijn zus. Wanneer de film van Anton Corbijn af is zal ik wellicht met weemoed terugdenken aan die periode. Misschien was ik een punk zonder het te weten.