Poppen van een grillige kunstenares

Eindelijk krijgt Lizzy Ansingh, de grillige Nederlandse kunstenares, de eer die haar toekomt. Voor De uitvaart van Therèse Schwartze's palet (1920) bijvoorbeeld, een imposant rouwschilderij, bevolkt door in sombere kleuren gekostumeerde poppen. Zoals het grote rouwkunst betaamt, is het gedragen en afstandelijk van sfeer, maar tegelijk intiem – en door die combinatie diep aangrijpend. Wie bedenkt dat nu, een stoet poppen die een palet ten grave draagt?

De gevierde portretschilderes Therèse Schwartze was Lizzy Ansinghs tante, en tevens haar ,,pleegmoeder, kunstzuster, leermeester en vriendin,'' schrijft Saskia de Bodt in de catalogus.

Lizzy groeide op aan de Prinsengracht in Amsterdam, waar de kunstzinnige Schwartze-ménage woonde. Ze trouwde nooit, bezocht de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten en wordt gerekend tot de Amsterdamse Joffers, een kring van verwante en bevriende vrouwelijke schilders met een impressionistische stijl.

Poppen spelen op veel van Lizzy Ansinghs schilderijen de hoofdrol. De schilderes verzamelde bijzondere poppen en kocht in 1910 bij veilinghuis Frederik Muller een groot achttiende-eeuws poppenhuis. (Datzelfde poppenhuis behoort nu tot de vaste collectie van het Historisch Museum Arnhem, wat de aanleiding was voor deze tentoonstelling.) En, merkwaardig, de poppen op Ansinghs schilderijen zijn bezield, als plaatsvervangers voor echte mensen. Dat resulteert in een sprookjesachtige sfeer. Maar Ansinghs schilderijen zijn niet kinderachtig. Er spreekt een volwassen vrouw met een scherpe intelligentie en een groot beeldend vermogen uit.

Lizzy Ansingh was geen klein meisje, niet miskend of wereldvreemd. Zij heeft gereisd, had veel vrienden en opereerde als een zelfstandige kunstenares in het artistieke milieu van haar tijd. Haar vondst van het schilderen van poppen heeft zeer originele, zelfs schitterende schilderijen opgeleverd, die haar soms prijzen opleverden, en ook een zekere faam.

Dat zij, samen met de overige Joffers in de loop van de twintigste eeuw zo goed als vergeten is, heeft ongetwijfeld te maken met de vloek van het vrouwzijn. Maar ook met de macht van het modernisme, waarmee Ansingh niet uit de voeten kon. Studiegenoot Piet Mondriaan vond zij ,,lief, maar geen groot talent''. Er was zo veel uitleg nodig bij zijn schilderijen. ,,Als je iets wilt zeggen dat je niet meteen kunt zien, kun je beter gaan schrijven,'' vond zij.

Haar eigen talent had een literaire inslag: haar schilderijen zitten vol betekenis. Maar wie wil, leest die betekenis er zo uit, onderwijl genietend van hoe mooi ze zijn geschilderd. Rustelozen bijvoorbeeld, met een vermoeid achterover hangende Pierrot en andere sombere poppenfiguren rond een paars-met-gouden paviljoenbed. Of De zeven hoofdzonden, een fantastisch doek waarin zij, naast haar poppen, Jeroen Bosch-achtige duiveltjes en spookwezens verenigt in een decadente fin-de-siècle-sfeer.

De poppenschilderijen, hoezeer ook in een ouderwets-schilderachtige trant geschilderd, zijn haar verbazendste en origineelste werken. Maar dat Ansingh haar vak verstond is ook aan de rest te zien, zoals het prachtige portret van haar vriendin Coba Ritsema. De tentoonstelling in Arnhem is een openbaring, de herontdekking van een echte kunstenares. In haar laatste jaren publiceerde zij ineens nog een aantal gedichten, waarvan er een paar op de tentoonstelling te lezen zijn: over haar moeder, haar vader en haar eigen dood. Weemoedige poëzie, met een somberheid die wordt getemperd door ironie, in de beste romantische traditie.

Tentoonstelling: Juweeltjes van een Joffer. De poppenschilderijen van Lizzy Ansingh (1875-1959). Historisch Museum Arnhem, t/m 15 januari 2006. Di t/m vr 10-17, za-zo 11-17 uur. Inl: 026-3512431, www.hmarnhem.nl