Maak Kosovo onafhankelijk

Zowel de VN als de OVSE vinden dat snel, mogelijk binnen een maand, de onderhandelingen moeten beginnen over de toekomst van Kosovo. Charles Kupchan pleit alvast voor onafhankelijkheid.

Sinds Joegoslavië begin jaren '90 uiteen begon te vallen, zijn de Verenigde Staten en hun Europese bondgenoten met kracht opgekomen voor de burgerlijke waarden op de Balkan. Zij hebben hard gewerkt voor het behoud van de multi-etnische staten die eens een federaal Joegoslavië vormden. Maar nu is het tijd om pragmatisme te laten triomferen over principes, en de beslissende stap te zetten naar onafhankelijkheid van Kosovo.

Kosovo, een zuidelijke provincie van Servië, staat onder internationaal toezicht sinds de NAVO in 1999 ingreep om een einde te maken aan de moorden op en de deportatie van etnische Albanezen door de strijdkrachten van Slobodan Milošević. De internationale gemeenschap wil nu graag zijn verplichtingen in de regio afbouwen.

Van de Kosovaarse bevolking van zo'n twee miljoen mensen is ongeveer 90 procent Albanees; de rest bestaat merendeels uit Serviërs. Belgrado wil dat de provincie onder Servisch gezag blijft, omdat Kosovo het oude moederland van de Serviërs is en er veel Servisch-orthodoxe kerken en kloosters liggen. Bovendien is Servië bezorgd dat wijziging van de grenzen langs etnische lijnen onrust kan veroorzaken met de buurlanden Macedonië, Montenegro en Bosnië.

Maar gezien de bittere realiteit ter plaatse is onafhankelijkheid de enige reële optie. De betrekkingen tussen de merendeels islamitische Albanese meerderheid en de merendeels orthodox-christelijke Servische minderheid naderen het kookpunt. De Albanese leiders in Pristina, die Kosovo besturen in moeizame samenwerking met de VN, willen niets weten van Belgrado. Ook wreken de Albanezen nog steeds de etnische discriminatie uit de jaren '90, zodat de Serviërs een geïsoleerd bestaan leiden in versterkte en armoedige enclaves. Muren van vijandschap verdelen de twee gemeenschappen.

Ter wille van de stabiliteit moet het beginsel van de multi-etniciteit worden verlaten, om te voorkomen dat chaos en bloedvergieten terugkeren. Kosovo heeft zich al aan de Servische sfeer onttrokken, en de etnische Albanezen geven op het punt van een formele afscheiding geen duimbreed toe, zodat voortzetting van Servische heerschappij vrijwel onmogelijk is. Terwijl dat helaas precies is wat de Servische regering wenst.

,,Minder dan onafhankelijkheid, meer dan autonomie'', is het standpunt van Belgrado: Kosovo zou grotendeels zijn eigen zaken kunnen afhandelen, maar formeel deel van Servië blijven uitmaken. De Servische regering houdt staande dat een onafhankelijk Kosovo niet alleen een gevaar zou betekenen voor de Serviërs die er wonen, maar ook, door extreme nationalisten in de kaart te spelen, de democratie in Servië zelf in gevaar zou brengen. Maar hoewel de VS en zijn Europese partners het grootste deel van de jaren '90 het Servische nationalisme de hand boven het hoofd hebben gehouden, met veel bloedvergieten als gevolg, moet thans met de duistere neigingen van Servië worden afgerekend in plaats van eraan tegemoet te komen.

Inderdaad zouden in de nasleep van de onafhankelijkheid van Kosovo extreme nationalisten in Servië aan de macht kunnen komen. Maar als Belgrado oorlogszuchtiger wordt, zullen de Serviërs merken dat hun land in een groter isolement en diepere armoede terechtkomt, dus dat de nationalistische agenda een doodlopende weg is. In plaats van te dreigen met onheilsscenario's zouden de Servische leiders juist het publiek moeten voorbereiden op een leven na de scheiding met Kosovo.

Terwijl de internationale gemeenschap Kosovo geleidelijk aan losmaakt uit de Servische soevereiniteit, zou zij drie voorwaarden moeten stellen voor onafhankelijkheid. Ten eerste moet Pristina zorgen voor een functionerende staat. Het moet de democratische instellingen en de rechtsorde versterken, hard optreden tegen corruptie en misdaad, én de wijdverbreide armoede en werkloosheid bestrijden.

Ten tweede moet Pristina het welzijn garanderen van de Serviërs die na de onafhankelijkheid willen blijven. Wanneer Kosovo zich formeel aan de greep van Belgrado onttrekt, dienen de gematigde Albanezen de gelegenheid waar te nemen om militante stemmen het zwijgen op te leggen en verdraagzaamheid te bevorderen. Dit houdt in dat Pristina ook zou moeten beloven christelijke locaties in Kosovo onder internationale supervisie te plaatsen, opdat ze veilig en toegankelijk blijven.

Ten derde – en dit is het meest controversiële punt – zou de internationale gemeenschap zich moeten bezinnen op haar verzet tegen een opdeling van Kosovo. In plaats daarvan zou zij moeten aangeven bereid te zijn een splitsing te accepteren, mits Pristina en Belgrado er beide mee instemmen. In het gebied ten noorden van de Ibar tot aan de grens met het eigenlijke Servië wonen vrijwel uitsluitend Serviërs. Dat gebied omvat zo'n 15 procent van het Kosovaarse territorium en er woont ongeveer eenderde van de Kosovaarse Serviërs. Pristina houdt niet de schijn op dat het enig gezag uitoefent in die regio, die grotendeels nog altijd functioneert als onderdeel van Servië.

Als het noordelijke deel van Kosovo aan Servië wordt afgestaan, terwijl de rest van de provincie onafhankelijk wordt, zou dat Pristina verlossen van de uitzichtloze opgave om te proberen zijn gezag te vestigen in een regio die hoe dan ook haar betrekkingen met Belgrado zal willen handhaven. Zolang Pristina maar niet de illusie kan koesteren dat het in ruil voor noordelijk Kosovo Albanese enclaves in zuidelijk Servië krijgt, zou de splitsing ook een soort compromis vormen – misschien een afdoende prikkel voor Belgrado om een overeenkomst te sluiten.

De vredige afscheiding van Kosovo van Servië zal behendig diplomatiek manoeuvreren vergen, moedige leiding door Belgrado, en goed bestuur door de Albanezen in Kosovo – tot dusverre allemaal gevaarlijk schaarse artikelen. Desalniettemin biedt onafhankelijkheid voor Kosovo de beste kans om af te rekenen met een van de taaiste vetes uit de regio en met de resten extreem nationalisme in Servië. Zo kunnen de grondslagen worden gelegd voor een Balkanpolitiek die meer rekening houdt met de mogelijkheden van de toekomst dan met het onrecht uit het verleden.

Charles A. Kupchan is hoogleraar Internationale betrekkingen aan Georgetown University in Washington en lid van de Council on Foreign Relations