`Ik zal mijn stem laten horen'

In maart liet China de steenrijke Oeigoerse zakenvrouw Rebiya Kadeer uit de gevangenis. Net als veel dissidenten voor haar, vertrok ze naar de Verenigde Staten. `Uiteindelijk werd ik een hopeloos geval voor Peking'.

Ze behoorde tot de nieuwe rijken van China, maar nu is de 59-jarige Oeigoerse zakenvrouw Rebiya Kadeer een politieke balling die de wereld rondreist om de aandacht te vestigen op de onderdrukking van haar volk in Xinjiang, de overwegend islamitische, semi-autonome regio in het verre westen van China. Ze bouwde eigenhandig een handelsconglomeraat op, en als Oeigoers rolmodel zat ze in Peking aan tafel met de hoogste communistische leiders. Maar toen ze steeds vaker pleitte voor meer vrijheden en rechten voor de Oeigoeren, viel ze in ongenade.

Rebiya Kadeer, onlangs in Amsterdam op uitnodiging van Amnesty International, wordt wel de `Moeder van de Oeigoeren' genoemd, en niet alleen omdat zij zelf moeder is van elf kinderen. ,,Ik had nog veel rijker kunnen worden als ik mijn mond had gehouden. Maar ik wil mijn stem laten horen. Ik wil opkomen voor mijn volk'', zegt ze fel. ,,En niet alleen voor mijn volk. Ik kom ook op voor heel China: voor democratie en respect voor mensenrechten in het hele land.''

Xinjiang (de naam betekent `de Nieuwe Domeinen') geldt als China's Wilde Westen waar, volgens Peking, islamitische rebellie en separatisme steeds op de loer liggen en hard optreden dus gerechtvaardigd is. De acht miljoen Oeigoeren zijn verwant aan de etnisch-Turkse volkeren in Centraal-Azië, net als andere islamitische minderheidsgroepen in Xinjiang, zoals Kazachen, Tadzjieken en Kirgiezen. Ze voelen zich achtergesteld en vrezen voor de ondergang van hun culturele identiteit door de jarenlange, georganiseerde verhuizing van grote aantallen Han-Chinezen naar hun regio.

Dat Rebiya Kadeer nu vrij kan rondreizen, heeft ze te danken aan de Verenigde Staten. In augustus 1999 werd ze opgepakt. In maart 2002 volgde haar veroordeling tot acht jaar cel wegens het verspreiden van staatsgeheimen. Ze had krantenknipsels opgestuurd naar haar echtgenoot die vier jaar eerder naar de VS was uitgeweken. Afgelopen maart werd ze vrijgelaten op medische gronden en mocht ze zich bij haar man in de VS voegen. Dat gebeurde, niet toevallig, aan de vooravond van het bezoek van minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice aan Peking.

Haar prominente status als dissident heeft de Oeigoerse te danken aan haar inzet voor mensenrechten en democratie, maar niet minder aan haar overlevingsstrijd als moslimvrouw. Op 15-jarige leeftijd trouwde ze met een lokale (communistische) bankdirecteur in Aksu. Dat was een gearrangeerd huwelijk, uit nood geboren. De communisten hadden haar `bourgeois' ouders verbannen naar Aksu. ,,We waren alles kwijtgeraakt. Ik besefte dat ik mijn familie kon redden door te trouwen. Mijn ouders stelden het voor en ik stemde in. Ik heb nooit iets tegen mijn zin gedaan. Ik was altijd de sterkste, iedereen luisterde naar mij. Ook nu nog'', zegt ze.

Zes kinderen kregen de bankdirecteur en Rebiya. Die moesten per se een goede schoolopleiding krijgen, want haar kinderen moesten een betere start kunnen maken dan zij, vond Rebiya. Het salaris van haar man was bescheiden. Dus ging ze stiekem bijverdienen: ze naaide kleding, borduurde feestjurkjes, stikte versierseltjes op kinderschoentjes; ze werkte dag en nacht en liet andere vrouwen de klanten langsgaan. Ze verdiende omgerekend wel 30 dollar in de maand, ongehoord in een tijd waarin de Culturele Revolutie het land steeds verder in maatschappelijke chaos duwde. Maar op het laatst werden haar verderfelijke activiteiten ontdekt. In 1977 werd haar man gedwongen van zijn echtenote te scheiden.

,,Hij is nog steeds boos op mij'', weet Rebiya met een glimlach. En zij zelf? Zij kreeg al haar schoenen en haar stikseltjes aan veters om de schouders gebonden – zo moest ze als beschamende boetedoening door de straten van Aksu lopen, uitgejouwd door een opgezweepte massa.

Na de Culturele Revolutie braken betere tijden aan. Rebiya hervatte haar zaken, op steeds grotere schaal. Ze maakte kleding, maar begon ook een wasserette, kocht en verkocht schapenwol, levensmiddelen, begon te handelen in hout, textiel, sieraden. Na het openen van de grenzen met de nieuwe buurrepublieken in Centraal-Azië en kreeg haar Akida Trading Co. een nieuwe impuls. In 1992 werd in Urumqi, de hoofdstad van Xinjiang, haar zeven verdiepingen tellend warenhuis, het Rebiya Kadeer Complex, geopend.

Zo werd ze een vrouw met aanzien in Xinjiang. ,,Ik heb veel tegenwerking ondervonden. Niet alleen van de Chinese autoriteiten maar ook binnen de Oeigoerse gemeenschap. In het begin werd er geroddeld en zei men: volgens onze traditie mogen moslimvrouwen niet buitenshuis werken'', zegt ze. ,,Ik heb de Oeigoeren laten zien hoe je dingen moet aanpakken, niet alleen aan mannen maar ook aan vrouwen. Ik heb vrouwen geleerd om onafhankelijk te zijn. Ik heb trainingen georganiseerd om hun kansen op werk te vergroten. En toen ik succes kreeg, kreeg ik steeds meer steun en aanzien.''

Dat viel ook drieduizend kilometer oostelijker op, in Peking. In 1995 zat ze in de Chinese delegatie op de VN-Vrouwenconferentie. Ze trad toe tot het PPCC, het officiële adviesorgaan van de overheid waarin intellectuelen, wetenschappers, zakenlieden en technici zitten. ,,Ik heb aan tafel gezeten met mensen als Jiang Zemin en Hu Jintao. Natuurlijk wilde men graag praten met iemand van mijn prestige onder de Oeigoerse bevolking. Ze konden mij goed gebruiken om hun beleid uit te voeren. En ik vertelde over de misstanden in Xinjiang en de ellende van mijn volk. Eerst dacht ik: de onderdrukking is het werk van de lokale autoriteiten, ik moet de hoge heren in Peking inlichten. Maar later heb ik gemerkt dat de partijleiding er precies zo over dacht als de lokale overheid. Uiteindelijk ben ik een hopeloos geval geworden. Ze hebben nog gewaarschuwd: je zit op de verkeerde weg.''

In 1996 was Rebiya Kadeer voor het eerst kort in de VS, om haar tweede echtgenoot in veiligheid te brengen. Op 31 juli 1978 was ze getrouwd met Sidik Rouzi, een leraar Oeigoerse letterkunde die net tien jaar gevangenisstraf achter de rug had wegens opruiend geschrijf. Dankzij haar contacten in Peking was Rebiya Kadeer er achter gekomen dat haar man opnieuw gevaar liep omdat hij weer kritisch had geschreven. Daarom bracht ze hem, nu 61, en hun vijf kinderen naar de VS, maar keerde zelf terug.

Heeft Rebiya Kadeer haar activisme geleerd van haar man? ,,Je kunt ook zeggen dat ik met hem ben getrouwd omdat hij is wie hij is'', antwoordt ze onmiddellijk.

Toen ze in 1999 zelf werd opgepakt, had zij een brief op zak, waarin zij het Amerikaanse Congres vroeg zich te bekommeren om het lot van de Oeigoeren. Nu draagt ze die boodschap zelf uit. Maar helemaal zonder gevaar is dat niet. Vijf kinderen, familieleden en vrienden zijn achtergebleven in Urumqi en worden belaagd door de autoriteiten. In mei werd een inval gedaan in de kantoren van Akida Trading en werden alle papieren meegenomen. Volgens recente berichten uit Xinjiang heeft de politie een speciale eenheid geformeerd om onderzoek naar malversaties te coördineren.

Zo weet Rebiya Kadeer dat haar strijd nog niet ten einde is. ,,Ze proberen me nu financieel te vernietigen met valse beschuldigingen over fraude en belastingontduiking. En ze proberen mij in verband te brengen met terrorisme door me in het buitenland af te schilderen als iemand die terreur en seperatisme steunt'', zegt ze.

Het zal haar opnieuw niet tegenhouden, zegt ze. ,,Ik zal de buitenwereld blijven informeren over de ellende van mijn volk. Politieke gevangenen, executies, gedwongen arbortussen, geboortebeperking in strijd met de tradities van ons geloof, gebrekkige gezondheidszorg voor vrouwen en kinderen, beperkingen aan onze geloofsuiting. Ik zal mijn stem laten horen.''