Het verdriet van de kosmopoliet

`Internationalisering' in het hoger onderwijs is een gotspe, betoogt Douwe Draaisma. Wat in andere talen dan het Engels wordt geschreven, blijkt in de praktijk steeds minder toegankelijk te worden.

`Niet zonder schroom neem ik mijn plaats in op deze katheder tegenover dit geleerde gehoor. Voor ons, Amerikanen, is de ervaring onderwezen te worden door Europeanen, hetzij mondeling, hetzij door middel van hun boeken, geenszins ongewoon. Aan mijn eigen universiteit, die van Harvard, gaat geen winter voorbij die niet zijn oogst oplevert aan voordrachten van Schotse, Engelse, Franse of Duitse vertegenwoordigers van de wetenschappen of de letteren van hun geboorteland, die wij ertoe hebben bewogen de oceaan over te steken om ons toe te spreken. Voor ons is het de natuurlijkste zaak van de wereld dat wij luisteren, wanneer de Europeanen spreken.''

Het is al weer even geleden dat William James dit beeld van de verhouding tussen Europa en Amerika opriep: in 1902. Hij was uitgenodigd in Edinburg de prestigieuze Gifford-Lectures te geven. Door die gevoelens van schroom zat wel een wolkje ironie gemengd. In 1902 was al een verschuiving in die verhouding op gang gekomen, in een richting die ons de voorstelling van een Harvard-gemeenschap die aan de lippen hangt van Schotse, Franse en Duitse geleerden laat herkennen als iets uit een voorbije tijd.

William James had zelf zijn vorming gekregen in een tijd dat wetenschap en filosofie een Europese oriëntatie hadden. Zijn talen had hij leren spreken van Franse en Duitse gouvernantes. Tijdens studiereizen bracht James veel tijd door in Europa. Zo raakte hij vertrouwd met verschillende wetenschappelijke culturen en hij verwierf die vertrouwdheid van binnenuit, omdat hij de talen van die tradities sprak. Misschien heeft deze zwerflust meegebracht dat zijn werk later zo'n weldadig relativerend karakter kreeg. De reiziger komt te weten dat het elders anders is. Met William James was het werkelijk, met een titel van Bram de Swaan, `het lied van de kosmopoliet'. Zijn werk heeft het vrolijke, panoramische, open karakter van iemand die meer van de wereld heeft gezien. Zou William James niet een schitterend voorbeeld zijn van wat we nu, aan de huidige Europese universiteiten, proberen te bereiken met `internationalisering'?

Het antwoord luidt: nee.

Kosmopolitisme, de intellectuele versie ervan, staat voor waarden die ook die van de wetenschap behoren te zijn: nieuwsgierigheid, openheid, het verlangen de horizon te verbreden, het genoegen aan variatie. Internationalisering is geen doel op zich, het is eerder het instrument dat de kosmopolitische instelling moet bevorderen. Sommige consequenties van internationalisering keren zich naar mijn mening tegen het verder gelegen doel. Ze liggen vooral in het vlak van de taal en zijn samen verantwoordelijk voor wat ik maar heb aangeduid als `het verdriet van de kosmopoliet'. (Die titel is, blijkt, al eens gebruikt door Bram de Swaan – een geval van cryptomnesie).

In 1999 ondertekenden 31 ministers van Onderwijs in Bologna een akkoord over het Europese hoger onderwijs. De eerste keer dat ik het gevoel kreeg dat deze ontwikkelingen heel dichtbij kwamen, was na het lezen van een artikeltje in de Groningse universiteitskrant. Daarin stond dat het Talencentrum bij de docenten bedrijfskunde examens Engels had afgenomen en dat daarbij hoge zakpercentages vielen te betreuren. Wat examens als deze duidelijk maken is hoe `internationalisering' opgevat moet worden, namelijk als anglisering. In de masterfase van de verschillende studies zal veel van het onderwijs in het Engels gegeven worden. Internationalisering betekent eigenlijk nooit dat bijvoorbeeld een Duitse collega lezingen of colleges in het Duits komt geven, het kan wél betekenen dat we op symposia aan Nederlandse sprekers voor een overwegend Nederlands gehoor vragen om Engels te spreken.

Ook de taal waarin wordt gepubliceerd, is bij voorkeur het Engels. Expliciet gebeurt dat in het protocol dat de VSNU hanteert bij onderzoeksvisitaties. Dit protocol maakt onderscheidt tussen publicaties in het Engels en publicaties `in andere talen'. Een publicatie in het Nederlands is dus een publicatie in een `andere taal', net als een publicatie in het Duits of het Frans. In veel interne beoordelingen krijgen internationale – opgevat als Engelse – publicaties meer punten. Hoe moeilijk mensen van buiten de universiteit dat ook in overeenstemming kunnen brengen met wat zij dachten dat `internationaal' betekende: Duitse en Franse publicaties worden niet gehonoreerd als internationale publicaties. Is dat kosmopolitisch, of eerder parochiaal? Over de positie van het Nederlands als wetenschapstaal heeft de socioloog Dick Pels een interessante discussie geïnitieerd. Hij pleit voor een soort tweesporenbeleid: het op peil brengen van het Engels, `ons' Engels, als internationale voertaal, onder gelijktijdige bescherming van het Nederlands als de taal waarin men zich tot een breder publiek richt. De bescherming schuilt erin dat Nederlandse publicaties in metingen van productiviteit en kwaliteit niet meer categorisch achtergesteld mogen worden. Dat laatste is nu nog het geval. Academische bevorderingen zijn vrijwel uitsluitend gerelateerd aan Engelstalige publicaties. Pels maakt zich daar, net als ik, zorgen over, en samen zijn we, blijkens het KNAW-rapport `Nederlands, tenzij' in het goede gezelschap van de KNAW.

Delfts onderzoek naar Engelstalige hoorcolleges van Nederlandse docenten becijferde het kwaliteitsverlies aan de zijde van de docenten op 15 procent. Aan de zijde van de studenten kwam daar nog eens 15 procent bij. Het cumulatief effect betekent een fors slechter hoorcollege. ,,Maar dáárom juist die Engelse les voor docenten'', zal men zeggen. Dit is een denkfout. Want opgevat als het verschil tussen moedertaal en tweede taal is 15 procent heel gering en het zal niet eenvoudig zijn daar nog een drastische vooruitgang in aan te brengen.

Onderwijs in het Engels betekent ook dat je alléén Engelstalige literatuur kunt voorschrijven, een verschraling ten opzichte van de situatie dat je nog kon kiezen tussen Nederlandse en Engelse literatuur. Dit geldt uiteraard ook in andere landen voor de landstaal. Als van Deense universiteiten wordt gevraagd hun curricula in het Engels aan te bieden, zal de student die naar Kopenhagen reist daar niet zozeer de Deense cultuur voor zich geopend zien als wel de Deense keuze uit de Engelse literatuur.

Maar het zorgelijkste effect van de tweedeling Engels-voor-collega's en Nederlands-voor-leken is dat al snel ook een tweedeling in status ontstaat. Engels zal associaties oproepen met echte wetenschap, toponderzoek, cutting edge science; Nederlands zal staan voor populair en tweede garnituur.

Die kant moet het niet op. Het is waar dat grote delen van de psychologie een dermate technisch karakter hebben dat men daar alleen zinvol binnen internationale, Engelstalige netwerken van collega's over kan communiceren. Maar er zijn ook delen van de psychologie die in hun onderzoek veel dichter bij lekenopvattingen en relatief duidelijke maatschappelijke verschijnselen blijven en waarover publicaties in andere media dan het Engelstalige refereed journal meer voor de hand liggen. Deze publicaties vallen niet buiten de wetenschap, maar zijn wetenschap op een andere plek.

Wat zal internationalisering betekenen voor andere moderne talen, in de Nederlandse verhoudingen vooral Duits en Frans?

Het afgelopen jaar heeft het AMC-Magazine mij gastvrijheid geboden voor een 15-delige serie over eponiemen in de hersenwetenschap. Eponiemen zijn zaken die naar personen zijn vernoemd, zoals het gebied van Broca of de ziekte van Alzheimer. Tot mijn verbazing stelde ik aan het eind van de serie vast dat die vijftien eponimisten niet minder dan negen verschillende nationaliteiten telden en dat ik hun werk toch stuk voor stuk in de oorspronkelijke publicaties had kunnen lezen. Dat ligt niet aan mijn talenkennis, tenminste, niet alléén daaraan. Parkinson schreef uiteraard Engels, Alzheimer Duits, evenals de Oostenrijker Asperger. En Frans werd geschreven door Gilles de la Tourette en de Zwitser Bonnet. Maar onder de eponimisten zat ook een Japanner, Guan Wada, die de Wadatest ontwierp waarbij beurtelings de linker- en de rechterhersenhelft verdoofd worden; verder waren er nog de Tsjech Evangeliste Purkinje en de Rus Sergei Korsakov. Ik lees geen Japans, Tsjechisch of Russisch. De reden dat ik toch hun oorspronkelijke werk kon lezen is dat zij zich hebben bediend van talen die vanouds een sterke positie als tweede taal hadden en daardoor een schakelfunctie vervullen.

Korsakov leerde in de jaren zeventig van de 19de eeuw op het gymnasium van Moskou Duits en Frans als tweede taal, in die talen heeft hij later veel gepubliceerd en omdat ik op de christelijke HBS in Leeuwarden diezelfde talen kreeg onderwezen kan ik mij nu toegang verschaffen tot het gedachtegoed van een neuroloog uit een ver land en een ver verleden.

Nu zou men hieruit het argument kunnen construeren dat het er voor onderzoekers blijkbaar op aan komt zich net als eertijds Purkinje en Korsakov een tweede taal eigen te maken, liefst allemaal dezelfde, Engels, zodat iedereen via deze lingua franca toegang kan krijgen tot wat er aan onderzoek wordt geproduceerd. Maar zelfs al zou het zover komen, dan nog blijft waar dat het verleden van wetenschappen zijn neerslag heeft gekregen in de talen die gebruikt werden toen deze wetenschappen tot ontwikkeling kwamen. Naast het Engels waren dat vooral Frans en Duits. Een verregaande anglisering van de universiteit zal op het vwo een neerwaartse druk op Frans en Duits veroorzaken. Daarmee komt de bevoorrechte positie in gevaar van Nederlanders die door hun toegang tot verschillende talen kunnen intermediëren tussen de intellectuele tradities van een paar grote, rijke en oude taalgebieden.

Schakels tussen talen zijn ook schakels tussen tijdperken. De beperking tot het Engels zal langzaam het deksel laten zakken over een uitwisseling over grote historische afstanden. Meer Engels opent niet alleen nieuwe werelden, maar sluit ook oude af. Dit betekent de geleidelijke verdwijning van de blik die ruimer is dan het hier en nu, het verlies, kortom, van kosmopolitisme in historische zin.

Wat betekent het stimuleren van Engelstalig publiceren eigenlijk voor die publicaties zelf?

Om in de belangrijkste psychologische vakbladen te komen, moet de auteur zich houden aan het American Psychological Association Publication Manual, dat een uiterst strikte codificering heeft opgelegd aan wat in APA-tijdschriften kan verschijnen. De taalkundige Charles Bazerman heeft gedocumenteerd hoe het APA-Manual deze poortwachterachtige positie heeft gekregen. In 1929 verscheen voor het eerst een publicatiehandleiding. Deze telde nog geen zeven pagina's en bevatte aanwijzingen, vooral bedoeld als goede raad. Maar in het Manual van 1952 (61 pagina's) hebben de aanwijzingen plaatsgemaakt voor voorschriften en begint de handleiding te veranderen in een standaard. De huidige vierde editie bevat 368 pagina's directieven voor compositie, stijl, interpunctie, verwijzing, spelling, citaat, kopjes, opmaak, et cetera.

Een standaard is handig. Een gedetailleerde matrijs voor het schrijven maakt het ontwerpen van overgangen, het bedenken van kopjes en nog tientallen van dat soort persoonlijke beslissingen overbodig. Het APA-Manual neemt de auteur veel denkwerk uit handen – en dat is ook precies het probleem ermee. Door het wegnemen van beslissingen die `des schrijvers' zijn, zoals de keuze van voor- en achtergrond, volgorde of zelfs zoiets simpels als de keuze van kopjes, is ook de noodzaak verdwenen zich al schrijvend als het ware door een probleem heen te denken. Wie heeft niet de ervaring gehad dat het schrijven van een overgang duidelijk maakte dat een andere indeling logischer was? Schrijven helpt het denken, maar alléén als het werkelijk schrijven is. Als deze analyse steekhoudt, heeft dat ook consequenties voor de wijze waarop we onze studenten opleiden. Bij een betrekkelijk massale opleiding als psychologie hebben studenten verhoudingsgewijs nog weinig schrijfervaring als ze aan hun bachelorthese beginnen. Op dat kritieke punt mogen we ze niet een matrijs aanreiken waarvan het verraderlijke gemak er juist uit bestaat dat ze over zoveel dingen niet hoeven na te denken.

Gemak, van een even verraderlijk soort, heeft de laatste jaren aanwijsbaar een rol gespeeld bij het tellen en wegen van wetenschappelijke publicaties. Trudy Dehue heeft aan de hand van de vorige VSNU-onderzoeksvisitatie psychologie, die van 1999, aangetoond dat het Leidse CWTS, waaraan de berekening van de `impact' van de wetenschappelijke productie meestal wordt uitbesteed, in haar tellingen beslissingen heeft genomen die sterk ten nadele van bepaalde publicatieculturen uitpakken. Een van die beslissingen is om citaties naar boeken net als de boeken zelf buiten de telling te laten. Het is niet nodig hier haar analyse te herhalen. Ze argumenteert dat de sciëntometrische methoden het soort wetenschap creëren dat ermee gemeten kan worden. Dehue komt de eer toe bijna singlehandedly het denken over citatietellingen als maat voor kwaliteit in Nederland te hebben laten kantelen. Het in 2003 verschenen KNAW-rapport Nederlands waarschuwt nu met zoveel woorden tegen `bibliometrisch simplisme'.

In Nederland is zo dus een begin van alertheid ontstaan. Het is de vraag of die er in internationaal verband ook zal zijn. Het recent aan de KNAW uitgebrachte advies Judging research on its merits, onder eindredactie van Wim Blockmans en Wim Hofstee, laat een grote sensitiviteit voor de vertekenende effecten van veelgebruikte evaluatie-instrumenten zien. Maar uit datzelfde rapport blijkt ook hoe hardnekkig het gebruik van die meetinstrumenten op de werkvloer is. Juist tegen een achtergrond van uniformering zal de verleiding groot zijn om beoordelingen te laten afhangen van dat deel van de wetenschappelijke productie dat het gemakkelijkst voor zuiver kwantitatieve beoordeling toegankelijk is, te weten: artikelen in vaktijdschriften. Buiten die vaktijdschrijften zijn nog tal van genres en media waarin psychologie van wetenschappelijk niveau wordt bedreven. Dit type psychologie loopt het gevaar als een hinderlijke vorm van diversiteit genegeerd te worden. Het is een vernauwing die, opnieuw, op gespannen voet staat met het kosmopolitische verlangen naar openheid en verbreding.

Internationalisering zal heel veel meer Engels betekenen en een versmalling van de kennis van andere moderne talen. Het zal ook betekenen dat we veel Engels te horen zullen krijgen van mensen voor wie Engels niet de moedertaal was. Dat zal niet altijd een genoegen zijn: de meeste mensen die niet Engelstalig zijn grootgebracht, spreken nu eenmaal Engels zoals iemand zingt die een koptelefoon opheeft.

Als u zegt: ach, dat harmoniseren en uniformeren van al die nationale academische organisaties, dat loopt niet zo'n vaart – dan hebt u misschien wel gelijk. Iedere reiziger door Duitsland, Frankrijk en Engeland kan nog dagelijks vaststellen dat het de afgelopen honderd jaar met zoiets simpels als stopcontacten tenminste niet gelukt is. Maar laten we bij wijze van gedachte-experiment eens aannemen dat het visioen toch gerealiseerd is. Alle problemen van de overgangsfase zijn achter de rug. Er zijn geen overbelaste onderwijsbureaus meer die exotische certificaten en getuigschriften uit Slovenië of Hongkong moeten beoordelen. Docenten vinden in de collegebanken geen Roemenen of Chinezen meer die het Engels amper machtig zijn. Dat alles is voorbij. Studenten reizen nu vrijuit in de Republiek der Letteren. Ze bedienen zich van hetzelfde eloquente, verzorgde Engels dat ze hun docenten met zoveel bewondering hebben horen hanteren. Ze reizen naar de schitterende universiteiten van Italië, Duitsland en Frankrijk.

Frankrijk?!

Jazeker, Frankrijk. Want we redeneren nu vanuit de voltooiing van het visioen en dan moet zich ook in Frankrijk iets hebben afgespeeld, iets onvoorstelbaars, iets dat ook de Fransen heeft bewogen zich in een Angelsaksisch bestel te voegen. Misschien heeft één van de leden van de Académie Française op een dag gezegd: `Mijn heren, dames, het gaat toch de kant van Engels op' en hebben de andere leden bedachtzaam geknikt en intuïtief aangevoeld dat dit argument inderdaad volkomen beslissend is. Misschien hebben al die Franse onderzoekers en geleerden uiteindelijk ingezien hoe intens provinciaal het is om altijd maar in het Frans te schrijven.

U voelt wel aan: dit zal niet gebeuren. En eerlijk gezegd heb ik mijn hoop ook wel een beetje gevestigd op de mentaliteit die daaruit spreekt: trots op de eigen taal, op wat daarin door eerdere generaties is gedacht en geschreven, op wat je er ook nu nog gemakkelijker in kunt uitdrukken, eenvoudig omdat het de taal is waarin je hebt leren denken.

Een van mijn gewaardeerde leermeesters, Hofstee, vertelde me dat één van zíjn leermeesters, Benjamin Kouwer, in de jaren vijftig van een studieverblijf in Parijs was teruggekeerd met twee nieuwigheden: de factoranalyse en het existentialisme. Dit vat veel van wat ik bedoel samen. Je reist, zoals ooit William James, in de hoop dat je elders iets vindt dat er thuis niet is. Daarom moet óók de variatie, het eigenaardige, het lokale gekoesterd worden. Bij alle pogingen die we doen om een kosmopolitische instelling te bevorderen moeten we oppassen dat we niet ongemerkt de wereld laten verdwijnen waarin men kosmopoliet kan zijn.

Dit is de bekorte en enigszins bewerkte versie van de oratie die Douwe Draaisma vanmiddag heeft uitgesproken bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap geschiedenis van de cognitieve psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

www.nrc.nl/opinie en

www.douwedraaisma.nl rede Draaisma