Europese regels voor fijnstof deugen niet

De Brusselse regelgeving voor fijnstof moet worden aangepast, vindt Hugo Priemus. Niet om meer te kunnen bouwen, maar met het oog op de volksgezondheid.

`Schuif milieuproblemen niet onder het tapijt', schrijft Pieter van Geel, staatssecretaris van Milieubeheer (Opiniepagina, 17 oktober). Hij schetst het bekende spanningsveld tussen weldenkende Europese regelgevers die het milieu en de volksgezondheid willen beschermen en ongeduldige bouwers en ontwikkelaars die Nederland willen volbouwen en daarbij niet terugdeinzen voor locaties waar de volksgezondheid wordt bedreigd door te hoge concentraties fijnstof. Met deze simpele voorstelling van zaken veegt Van Geel de veel ingewikkelder realiteit onder het tapijt.

Deskundigen op het terrein van de volksgezondheid melden ons dat onderscheid moet worden gemaakt tussen goedaardig fijnstof (zeezout aërosolen, zanddeeltjes, een deel van het bodemstof) en kwaadaardig fijnstof (zoals roetdeeltjes in de uitstoot van dieselmotoren en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's). Europa maakt zo'n onderscheid (nog) niet; in de normstelling worden goedaardig en kwaadaardig fijnstof over één kam geschoren.

Deskundigen op het terrein van de volksgezondheid melden ons voorts dat het kwaad niet zozeer wordt veroorzaakt door fijnstof ter grootte van 2,5 tot 10 micron, maar door het echte fijnstof kleiner dan 2,5 micron. De Brusselse normen hebben echter betrekking op de concentraties fijnstof tot 10,0 micron per kubieke meter. Deze bestaande norm deugt niet. Het lijkt erop dat de eurocommissaris voor Milieu, de Griek Dimas, een norm voor deeltjes tot 2,5 micron wil toevoegen, terwijl alles erop wijst dat zo'n norm de huidige norm juist moet vervangen.

De Europese normen voor fijnstof zijn dus verkeerd geformuleerd en stellen de volksgezondheid niet veilig. Het is alsof we de verkeersveiligheid willen bevorderen door niet alleen autoverkeer te weren, maar ook alle fietsers en alle voetgangers. Er is alle aanleiding om de Brusselse normen fors aan te passen, niet zozeer om het bouwen te bevorderen, maar primair om de volksgezondheid beter te dienen.

Zeker gezien het krakkemikkige karakter van de huidige Europese normen, zou het verstandig zijn geweest om de normstelling niet alleen te relateren aan gezondheidseffecten (het gaat om 2.300 tot 3.500 vroegtijdige sterfgevallen in Nederland per jaar), maar ook aan de daardoor veroorzaakte kosten. Dat is nimmer gebeurd. Nederlandse praktijkmensen en onderzoekers hebben eurocommissaris Dimas nimmer op bezoek gehad om de voorgenomen normen uitgelegd te krijgen. Zij konden destijds geen inbreng leveren. Sterker, toen de normen in Brussel werden vastgesteld, had bijna niemand dat in de gaten. Behalve de Raad van State die wakker bleek en veel bouw- en bestemmingsplannen afkeurde.

Door de alleen in Nederland toegepaste directe koppeling van fijnstofnormering aan het bouw- en ontwikkelingsproces is in ons land het voorbereiden van bouwprojecten een Russische roulette geworden.

In de brief van 20 september 2005 van minister Dekker en staatssecretaris Van Geel aan de Tweede Kamer over de aanpak van de luchtkwaliteit lezen we: ,,Circa 35 procent van de ruimtelijke plannen is onherroepelijk en wordt niet beïnvloed door de problematiek van de luchtkwaliteit.'' Voor de resterende ruimtelijke plannen geldt: ,,Grofweg eenderde van de ruimtelijke plannen komt zeker, eenderde komt waarschijnlijk en eenderde komt niet in gevaar als gevolg van de normoverschrijding.'' Dit kansspel betreft de situatie zonder extra beleid.

Het nieuwe beleid mikt sterk op een saldobenadering (waarbij gebieden met een te hoge concentratie fijnstof worden weggestreept tegen gebieden waar deze concentratie onder de norm blijft), maar het is onduidelijk of en in hoeverre de Europese normen ruimte laten voor deze Nederlandse flexibiliteit.

Wie de luchtkwaliteitskaart van Nederland bekijkt, kan vaststellen dat grote gebieden in Zuid- en West-Nederland boven de fijnstofnorm zitten. Hier dreigt bij een rigide toepassing van de fijnstofnormering een bijna volledige bouwstop. Nergens in Europa komt zo'n patstelling voor, hoewel ook in stedelijke concentraties als het Ruhrgebied, Noord-Italië en de regio Athene de normen worden overtreden.

Welke conclusies kan de verbouwereerde waarnemer nu trekken:

1.De ambities van de Nota Ruimte (2004) en de Nota Mobiliteit (2004) worden door de fijnstofproblematiek ernstig ondermijnd.

2.De Europese fijnstofnormering beschermt de volksgezondheid niet. De Europese regels dienen drastisch te worden geherformuleerd.

3.Er bestaat een wanverhouding tussen de goede bedoelingen van de fijnstofnormering en de draconische effecten voor het bouw- en ontwikkelingsproces in Nederland, ook daar waar dat proces de luchtkwaliteit niet verslechtert.

4.Van een effectief bronbeleid op Europese schaal is nog geen sprake: daar zou het Europese beleid moeten beginnen.

5.Pieter van Geel moet niet naar Brussel gaan om enig uitstel te krijgen voor sommige luchtkwaliteitsnormen. Pieter van Geel, Sybilla Dekker en Karla Peijs moeten gezamenlijk naar Brussel gaan om met kracht een andere Europese luchtkwaliteitsnormering te bepleiten en op de terugweg een andere koppeling van de Nederlandse regelgeving aan het Brusselse beleid bedenken.

Hugo Priemus is wetenschappelijk directeur van het Habiforumprogramma `Vernieuwend Ruimtegebruik' en hoogleraar aan de faculteit Techniek, Bestuur en Management van de Technische Universiteit Delft.