Bouwsector sjoemelt in heel Europa

Nederland is zeker niet het enige land waar fraude in de bouwsector voorkomt. In Duitsland vinden de meeste bouwondernemers corruptie doodnormaal.

De onthullingen vanaf 2001 over kartelvorming, illegale prijsafspraken en vooroverleg in de bouwbranche en de betrokkenheid van ambtenaren daarbij, heeft Nederland ook internationaal in een slecht daglicht gesteld. Op de jaarlijkse lijst van minst corrupte landen van Transparency International is Nederland in 2005 verdwenen uit de top-10 van minst corrupte landen.

De imagoschade van die daling is niet langs objectieve criteria vast te stellen. Transparency International baseert zich bij de samenstelling van die lijst op de subjectieve beleving van deskundigen, zoals zakenlieden en risicoanalisten. Die baseren zich op hun beurt weer op eigen waarneming en berichtgeving in de media. Hoe groter de lawine aan berichtgeving over corruptiepraktijken zoals over de bouwfraude, hoe lager de perceptie van die deskundigen over de weerbaarheid van de overheid tegen dergelijke praktijken zal zijn.

Slepende affaires kunnen daardoor voor een belangrijk deel het imago van een land naar beneden halen. Het overkwam België na de Dutroux-affaire. Dat land stond op een negentiende plaats voor die affaire, maar ging met tien plaatsen naar beneden na de onthullingen over de pedofiele crimineel en speculaties over netwerken rond Dutroux waar ook hooggeplaatste personen bij betrokken zouden zijn. Inmiddels staat België, ook op de jongste lijst die vanochtend werd gepresenteerd, weer op een negentiende plaats.

Transparency International publiceert niet wie er ondervraagd zijn en wat de motieven van betrokkenen zijn om negatiever te oordelen over de corruptiegevoeligheid van Nederland. Maar omdat het onderzoek de weerslag is van de corruptieperceptie over de afgelopen drie jaar, moet de landelijke opwinding over de bouwfraude in die periode van grote invloed zijn geweest.

De invloed van fraude in de bouwsector verklaart mogelijk ook de lage noteringen van landen als Duitsland, België, Italië of Frankrijk op de lijst van Transparency International. Want bouwfraude is bepaald geen uniek Nederlands verschijnsel in Europa. Organisatieadviseur L. Vulperhorst promoveerde gisteren op het onderzoek `Verzwegen onderneming', over bouwfraude in Nederland, maar ook elders in Europa. In Duitsland is volgens informatie van het Bundeskriminalamt 44,5 procent van de gevers van steekpenningen afkomstig uit de bouw. De meeste bouwondernemers in Duitsland vinden corruptie doodnormaal, ondanks strenge mededingingswetgeving.

In Frankrijk bestaat een hecht netwerk tussen publieke en private functionarissen op topniveau. Vulperhorst maakt melding van een recent schandaal in Frankrijk over illegale partijfinanciering waarbij de top van bouwondernemingen en politici uit Lyon betrokken waren. Een schandaal dat volgens Vulperhorst past in de cultuur van omkoping ,,die kenmerkend is voor de Franse bouw in de jaren negentig''.

In Zuid-Italië schakelden bouwbedrijven zelf de maffia in om zich te beschermen tegen concurrerende bedrijven uit het noorden van het land. Vulperhorst citeert de in 1992 vermoorde onderzoeksrechter G. Falcone over de gevolgen daarvan: ,,De controle op de openbare inschrijvingen is al enkele tientallen jaren in handen van de maffia. De huidige omvang daarvan is indrukwekkend.''

Volgens de Britse criminoloog Varese, verbonden aan de Universiteit van Oxford, lijken de Nederlandse kartelpraktijken in de bouw het meest op die van Noord-Italië, zoals die onthuld werden in de Milanese affaire `Tangentopoli'. Bouwbedrijven haalden daar hun opdrachten binnen langs een uitgebreid circuit van smeergeldpraktijken. Samenspanning tussen politiek en bedrijfsleven was daar aan de orde van de dag. Het systeem klapte onder meer omdat partijfunctionarissen steeds meer geld gingen vragen en ook tussenpersonen en individuele partijleden betaald moesten worden.

Volgens Varese is de overeenkomst met Nederland dat het bouwkartel kon bestaan omdat de overheid structureel de andere kant uitkeek. Het verschil met de Italiaanse praktijken is dat in Nederland omkopingspraktijken niet op grote schaal noodzakelijk waren. Politiek en hoge ambtenaren keken vrijwillig én gratis de andere kant op. ,,Kennelijk is het onderlinge vertrouwen in `collusieland Nederland' zo groot dat er noch geweld, noch geld nodig is geweest om het systeem te laten functioneren.''