Schuif milieuproblemen niet onder het tapijt

De Europese normen voor de luchtkwaliteit en de natuurbescherming maken het onmogelijk om in Nederland te bouwen. Maar daarom moeten we nog geen lagere milieustandaards accepteren, betoogt Pieter van Geel.

Er waart een merkwaardig soort virus door bestuurlijk Nederland. Wethouders in grote steden, gedeputeerden en ook een enkel Tweede-Kamerlid lijken een belangrijke pijler onder het milieubeleid in Nederland te willen slopen. Reden is dat de (Europese) natuur- en milieuregelgeving het bouwen in Nederland onmogelijk maakt. De grootste `boosdoeners' in hun ogen zijn de normen voor luchtkwaliteit en de Europese natuurbescherming. De ultieme oplossing zou de ontkoppeling van de milieuregels en de regelgeving voor ruimtelijke ordening zijn (zo bepleitte wethouder Stadig in NRC Handelsblad van 11 oktober) en het accepteren van lagere milieustandaards in Nederland (volgens de Haagse wethouder Norder in de Volkskrant). Maar het milieu geen rol laten spelen bij de inrichting van ons land is geen oplossing. Laten wij het kind niet met het badwater weggooien. Dat is zeer bedreigend voor het voeren van een goed milieubeleid.

Laat ik beginnen met waar wij het eens over zijn: het is het allerbelangrijkst om een goed milieubeleid te voeren aan de basis. En juist daar is op Europees niveau nog een wereld te winnen. De problemen die wij nu hebben met fijn stof zijn vooral veroorzaakt door een veel te slap bronbeleid door Europa. Emissies door auto's zijn al jarenlang een erkend probleem. Wij hebben zelf geen auto-industrie, dus wie zou de Nederlandse overheid daarop moeten aanspreken? Dat moet dus in Europa, en dat had al gemoeten toen in 1999 de luchtkwaliteitsnormen werden opgesteld.

Maar ontkoppelen is een schijnoplossing. Juist door rekening te houden met milieustandaards en milieunormen, borgen wij de kwaliteit van het ruimtelijk beleid. Dat vindt de Nederlander ook belangrijk. Die koppeling loslaten, zou ons bovendien geen stap dichterbij het oplossen van milieuproblemen brengen, noch bij het van het slot halen van bouwprojecten.

Het is een Nederlandse traditie om in het ruimtelijkeordeningsbeleid rekening te houden met allerlei verschillende belangen. Er wordt een zorgvuldige balans gezocht tussen ruimteclaims die voortkomen uit de economie, de ecologie en het sociale domein. Zo leggen wij geen rijkswegen aan op tien meter van een woonwijk en wordt er niet gebouwd in de directe omgeving van Schiphol. Dat betekent veel overleg om alle claims tot hun recht te laten komen. Daarbij worden de kool en de geit niet gespaard, maar allebei een beetje beschadigd, en daar is niks mis mee. Wij kiezen met ons verstand en laten ons niet door een deelbelang op sleeptouw nemen.

Degenen die opteren voor ontkoppelen geven uiteindelijk de absolute voorkeur aan het bouwen en ontwikkelen, en willen daarbij niet worden gehinderd door grenswaarden en harde normen die mens en milieu beschermen. Ze willen met die waarden wel rekening houden, maar die problemen moeten in de milieusector worden opgelost. Deze houding getuigt van een gebrek aan creativiteit en gaat tegen de Nederlandse traditie in.

De tweede zogenaamde oplossing zou zijn dat wij in dit land lagere milieunormen moeten accepteren dan de Europese. Het verhaal is dat wij nu eenmaal een stadsstaat zijn, dichtbevolkt en met veel transport; daardoor zouden wij nooit aan de gemiddelde normen van Europa kunnen voldoen. Dat is een zwaktebod. Het betekent dat een van de rijkste landen van de wereld accepteert dat de gezondheids- en milieubescherming van zijn burgers lager is dan het Europese gemiddelde.

Laten we dus heel creatief worden door, ondanks de milieudruk en de schaarse ruimte, oplossingen te bedenken die effectief en haalbaar zijn, en de economie niet schaden. Ik hoop in februari 2006 een vernieuwde milieuagenda te kunnen presenteren die de juiste balans weergeeft tussen wat moet en wat haalbaar is met betrekking tot het milieu.

Tenslotte nog dit. Als wij Europees vastgestelde milieunormen niet laten meewegen bij bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, zullen rechtsprekende instanties in Nederland deze relatie zelf gaan leggen, bijvoorbeeld door besluiten rechtstreeks te toetsen aan Europese richtlijnen. Ik kan u verzekeren, dan zijn wij nog veel verder van huis. Want dan is er geen enkele ruimte meer om Europese richtlijnen op een verstandige, Nederlandse manier naar onze eigen wetgeving te vertalen.

Kortom, voorkom op een reële manier milieuproblemen door middel van een goede inrichting van ons land, los de overblijvende problemen op, maar schuif ze vooral niet onder het tapijt. Kernachtiger kan ik het niet samenvatten. Het is al erg genoeg dat ik `naar Europa' moet om enig uitstel te krijgen voor sommige normen voor de luchtkwaliteit.

Pieter van Geel is staatssecretaris van Milieu.