Hoog kennisniveau, hoog abstractieniveau? 1

Los van de vele waarheden die de auteurs van het artikel over het Veereberaad (Opiniepagina, 7 oktober) op tafel leggen, zou ik toch graag iets kwijt willen over een van de oorzaken van de huidige bewegingloze overheid. Want wat is er de afgelopen decennia in Nederland gebeurd?

Sinds de jaren '60/'70 heeft een steeds groter percentage van de Nederlandse bevolking een academische studie gevolgd. Op zich hoeft dit natuurlijk niet hinderlijk te zijn. Een hoger kennisniveau zou immers de maatschappij ten goede moeten komen. Maar een hoger kennisniveau impliceert ook meestal het hebben van een hoger abstractieniveau. En hier kan het fout gaan.

Veel academici zijn (natuurlijk) in de loop der tijd terechtgekomen in het management. En met hen is ook het (hoge) abstractieniveau daar terechtgekomen. Nu zou je wederom denken: wat is er mis met een hoog abstractieniveau? Niets, behalve wanneer het doorschiet en de link met de realiteit uit het oog verloren wordt. De bril wordt dan wazig en de afstand tot de werkvloer te groot. De verregaande academisering heeft in dit opzicht Nederland geen goed gedaan. De `academische' invulling van het management is bovendien een toestand die kunstmatig in stand gehouden wordt. Want wat is heerlijker dan te zwelgen in de ijdelheid van abstracte beleidslijnen, zonder zich direct te hoeven bekommeren om het slijk van de realiteit. Het betaalt trouwens nog goed ook, en dwingt status af. En als rechtvaardiging voor het (wan)beleid komen de kengetallen altijd goed van pas. Zij zijn de nieuwe afgoden en het excuus voor de verloren gegane voeling met het werkvolk.

Het Veereberaad heeft gelijk: een zekere mate van abstract denken is noodzakelijk om de problemen te analyseren, maar niet om ze op te lossen. Daarvoor moet het management terug naar de praktijk en moet het proberen de band met de realiteit te herstellen. Dat kan met gevoel, inlevingsvermogen en gezond verstand. Maar niet met kengetallen.