Docente Samira wil geen hoofddoek

De Commissie Gelijke Behandeling behandelde vandaag de klacht van een moslima die weigert een hoofddoek te dragen.

Mag een islamitische school eisen dat islamitische docentes een hoofddoek dragen? Dat was de inzet van een zitting bij de Commissie Gelijke Behandeling vanochtend. Een zaak in spiegelbeeld, noemde commissievoorzitter A.C. Hendriks de kwestie. Tot nu toe kreeg de commissie alleen met hoofddoeken te maken als een moslima er een wilde dragen en een werkgever dat verbood. Voor het eerst doet zich nu de omgekeerde situatie voor.

In juni dit jaar solliciteerde Samira Haddad (32) als docente Arabisch op het Islamitisch College Amsterdam (ICA), een van de twee islamitische scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland. Ze studeerde Arabisch aan de universiteit en haalde haar eerstegraads lesbevoegdheid. Ze werd afgewezen omdat de school eist dat islamitische docentes een hoofddoek dragen. Haddad weigert dat. Ze is weliswaar moslim, maar een hoofddoek ,,past niet bij haar'' en is in haar land van herkomst, Tunesië, zelfs verboden.

De afgewezen docente stapte naar het Meldpunt Discriminatie Amsterdam, die de klacht voorlegde aan de Commissie Gelijke Behandeling. Volgens Haddad is sprake van discriminatie omdat de hoofddoek op het ICA alleen verplicht is voor moslimdocentes. De school heeft ook niet-islamitische docentes, voor hen geldt de eis niet. Bovendien, stelt Haddad, is de hoofddoek niet noodzakelijk voor het uitoefenen van haar beroep.

Voor de commissie is de `noodzakelijkheidseis' een van de twee criteria waarop de zaak wordt getoetst, bleek vanochtend. Daarnaast kijken de juristen of de verplichte hoofddoek voortkomt uit consistent beleid van de school, beleid dat gericht is op het realiseren van de doelstelling. Dat zijn de twee uitzonderingen die het voor een bijzondere school mogelijk maken om onderscheid te maken.

Voor de school, vertegenwoordigd door bestuurder E. de Jong en rector E. Bijkerk, is de zaak duidelijk. Het bestuur eist geen hoofddoek omdat ze dat zelf wenselijk acht, maar omdat de koran het voorschrijft. In de statuten en het personeelsreglement is vastgelegd dat medewerkers de voorschriften uit koran en soenna dienen te respecteren. Niet-islamitische docenten kunnen ontheffing vragen, die automatisch wordt verleend. Dus, vroeg voorzitter Hendriks, als Haddad zich geen moslim meer noemt, kan ze alsnog worden aangenomen? Klopt, zei bestuurder De Jong.

Of iemand wel of niet een goede moslim is interesseert het ICA niet, aldus De Jong. Als ze zich in functie maar aan de voorschriften houden. ,,Wij volgen de grammaticale interpretatie van de koran, en die is helder.'' Haddad, die in verschillende Arabische landen woonde en werkte, trekt deze interpretatie in twijfel. Volgens haar kan zij moslima zijn zonder hoofddoek.

Hendriks waarschuwde dat de commissie uitsluitend zal kijken naar juridische argumenten en niet ,,in theologische debatten wil treden''. Omdat het ICA zich bij het stellen van voorwaarden aan personeel zo duidelijk beroept op een voorschrift uit de koran, zal het toch niet meevallen voor de commissie om zich helemaal te onttrekken aan de positie van de hoofddoek in de islam. De Commissie Gelijke Behandeling oordeelt uiterlijk 12 december.