Un niiwu leerbaaru speling

LATEN WE EENS helemaal opnieuw beginnen. We doen alsof het Nederlands nog nooit geschreven is. We doen ook alsof er weinig onderlinge verschillen tussen de uitspraak van Nederlanders zijn. Voor het gemak ga ik er ook vanuit dat het schrift al uitgevonden is. We moeten ons behelpen met de 26 letters van het alfabet en we kunnen er geen nieuwe aan toevoegen. Er zijn een paar grote geleerden die weten welke letters bij welke klanken horen. Die mannen hebben Latijn geleerd en die kunnen dat schrijven. Ze leren ons dat de -a- van rosa hetzelfde klinkt als de -a- van water, en ze leren ons de letters en de bijbehorende klanken. Nu krijgen wij van de regering de opdracht om het Nederlands schrijfbaar en leesbaar te maken, met die 26 letters. Hoe zouden we dat aanpakken?

Natuurlijk nemen we ons voor een schrijfwijze te ontwerpen die zo logisch, zo eenvoudig en zo leerbaar mogelijk is. Dus we proberen de klanken van het Nederlands te schematiseren, zodat we daar de juiste letters bij kunnen vinden. Eerst maar eens de klinkers. Zonder allerlei getheoretiseer over tweeklanken en gesloten en open klinkers, tellen we in het Nederlands 16 klinkerklanken: de -aa van aap, de -a van bal, de -oo van boos en de -o van bos, de -ee van veel en de -e van ex, de -ie van mies en de -i van mis, -uu van buur en de -u van buk. Dan zijn er de -au van bouw en gauw, de -ij van eis en wijs, de -ui van buik, de -oe van boef, de -eu van leuk. Bovendien is er nog die malle bleke u-klank die zo heel veel voorkomt in het Nederlands, twee keer in een woord als onmiddellijk, in de en het, en aan het eind van woorden. Wat ligt meer voor de hand dan voor die klanken ook 16 vaste tekens te gebruiken? Ik weet wel dat er heel veel verschillen zijn tussen de klinkers onderling. In het Limburgs is er een onderscheidend verschil tussen `bòks' (houten kindermartelwerktuig in vierkante hekvorm) en `bóks' (broek, in strakke vorm ook een martelwerktuig), en tussen `beuken' (bomen) en `beùken'(huilen), een verschil dat slechts weergegeven kan worden met wat ingewikkelde accenten. Wie goed luistert kan ook bij Noord-Nederlanders nog een verschil horen tussen de wat lange -ee van wees en de wat kortere van weer. Maar die 16 Nederlandse basisklinkers zijn makkelijk onder te brengen in het alfabet: overal waar je een korte a-klank hoort schrijf je een -a, wanneer je een -aa hoort schrijf je -aa.

Dan zijn we meteen af van die malle vorm van medeklinkerverdubbeling na een lettergreep. Laten we het eens proberen: ik gaa je ramen (ik ga je kapot maken) en ik was de raamen (glazen dingen die vooral niet kapot moeten); bokepooten; trutige buuren; velen over beenen. Meervoud van bes is dus besen. Het is even wennen, maar Couperus heeft ook over boomen en weenen geschreven, dus eigenlijk ga ik terug naar de traditie van voor de eerste mallotige spellingswijziging en kan ik doorgaan. De lange -ie is een mal ding, daar maak ik een -ii van voor de consequentie. Dus: biifstuk komt van koejebilen. Zo hebben we de korte en lange klinkers opgelost. Nu nog de diftongen of tweeklanken. De -au en -ou klinken al sinds twee eeuwen hetzelfde, dus daar kiezen we één spelwijze voor. Op het toetsenbord liggen de -o en -u dicht bij elkaar, dus dat wordt hem: ouwelijk, blouw, pous. Hetzelfde geldt voor de -ij en de -ei, die vielen eeuwen geleden van elkaar te onderscheiden, nu niet meer. Ik vind die -ij wel leuk en typisch Nederlands, maar tegelijk is het inconsequent om een klinker en een medeklinker te combineren voor de diftong, dus dat wordt toch de -ei. Wei eisen eis, mag Floddertje nu spellen. Rest nog de malle doffe -e. Die lijkt nog het meest op een korte -u, dus die kiezen we daarvoor. Zoo eenvoudug kunun wu hut Needurlands kreigun, als wu maar wilen. Uitgangspunt blijft de logica. Dus ik ga niet helemaal fonetisch schrijven: ut Needurlans kreigu. Ik wil toch kunnen zien dat Nederlands van Nederland komt. Daarom wil ik ook niet dat we in de nieuwe spelling schrijven: hij zit ob de kast, hoewel iedereen dat zegt. Het verschil tussen de -z en de -s moet ook blijven, ook al zegt elke nette Nederlanders: wat seg je?

Daarbij zijn we bij de medeklinkers gekomen, want we zijn nog lang niet klaar. Daarover moeten we ook nog beslissingen nemen. Wat de klanken betreft hebben we het niet zo moeilijk. Vrijwel elke medeklinkerklank heeft een eigen letter gekregen in het alfabet, op de -ng van jongen na. Daar valt wel overheen te komen. Alleen gaan we daar weer niet consequent mee om in de spelling. Overal waar we die -ng horen, zouden we hem ook moeten schrijven. Dus niet alleen `koning', maar ook `koningkluk', blingken en bangken.

Dan moet er nog een probleem met de -g en de -ch opgelost worden. In heel het zuiden is er een werkelijk uitspraakverschil tussen die twee g's. `Noch' en `nog' betekenen niet alleen iets anders, ze klinken ook anders. Maar daar kunnen we geen rekening mee houden. We kiezen voor eenvoud, dus de -ch wordt afgeschaft. Voortaan is het googulaar, sgreivun, gaos.

Een hele zorg minder is dat we de dubbele ss-en of nn-en niet meer hoeven te schrijven, dat iedereen weet dat musen niet blafen. Maar nu nog een beroerde kwestie: die van de d's en de t's, die overigens weer niet los kunnen gezien worden van een heleboel andere dingen. Er is iets vreemds aan de hand met de -dt in Nederland. Het lijkt erop alsof er een collectief dt-trauma bestaat, waar iedereen aan lijdt, maar waar niemand mee naar de psychiater gaat. Niemand maakt zich zorgen over meervouden en verbuigingen als lief - lieve, hof - hoven, huis - huizen, kaas - kazen. Maar als het dan opeens over woorden gaat als woord - woorden, pad - padden, mag er niet woort of pat gespeld worden. Als het meervoud van een woord dat op een t-klank eindigt met een -d begint, dan moet dat woord ook in het enkelvoud met een -d gespeld worden. Dat is mal. Bij andere meervouden doen we niet zo moeilijk. Dus waarom vasthouden aan die d? Daar gaan we: moort - moorden, kwaat - kwade, gebet - gebeeden. Opgeruimd staat netjes.

Als we eenmaal zo ver zijn, kunnen we ook de werkwoorden eens bekijken. Ook daar is het Nederlands in de spelling zo onsamenhangend als straatvuil na een driedaagse staking. Je mag wel spellen: ik beef en wij beven, maar niet ik biet en wij bieden; wel hij las en zij lazen, maar niet hij hat en zij hadden. Onlogisch, dus daar maken we een eind aan. We gaan nu werkelijk de goede kant op, want hiermee kunnen we ook de vermaledijde -dt kwijt. Als we nu naar analogie van `ik leef - wij leven', ook mogen spellen `ik bit - wij bidden', dan hebben we `hij bidt' helemaal niet meer nodig. Hei bit un gubetje. Tja, dat ziet er wel vreemd uit, maar in de toekomst zal toch niemand meer gebedjes bidden, dus veel is er niet aan verloren. Natuurlijk ruim ik ook de schreeuw op, niet meer nodig, we sgreewen gewoon, zoals we al jaren doen tegen elke spellingshervorming.

Het blijkt alweer tien jaar geleden te zijn dat we ons de malle pannenkoekenspelling hebben laten voorschrijven. Er komt vandaag een nieuwe geactualiseerde Woordenlijst uit, want dat was de afspraak: elke tien jaar een wijziging. Slechts ongeveer 1% van de woorden is veranderd, schrijft de Taalunie trots, en in schoolboeken komt dit er op neer dat 0,04% van de woorden herspeld moeten worden. Zeker, het is niet veel, maar ik zou er wat voor over hebben als het nu afgelopen was. Vanaf vandaag voor de laatste keer en nu vijftig jaar er niet meer aankomen. En als er dan toch weer een nieuwe spellingcommissie moet komen, laat die dan bestaan uit keiharde onplooibare onverzettelijke stijfkoppen die tot geen enkel polderwater in de wijn bereid zijn, en daarnaast uit docenten die Nederlands geven aan buitenlanders, want die weten het allerbest waar de inconsequenties van de Nederlandse spelling zitten. Die krijgen de -dt wel uitgelegd, want die is logisch, maar hun struikelblok is juist de pannenkoekenkwestie. Overigens moeten we die pannenkoek er maar in houden, als een soort lieu de memoire van de spellingsellende. Un niiwu lentu en un niiw guluit? Je moet er toch niet aan denken.