Tijdbom

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag is de `professionele afstand' tot een patiënt even zoek.

,,Babati heeft nog wel gehuild vannacht, maar minder dan gisteren. De therapie lijkt aan te slaan'', besluit Kirsten, de dienstdoende arts, haar ochtendoverdracht. ,,En heimwee?'' oppert dr. Derks. Kirsten haalt haar schouders op. ,,Speelt vast mee, maar hij wijst steeds naar zijn linkerbeentje. Volgens mij heeft hij vooral veel pijn.''

,,Bizarre casus. Dat joch is een artikel dat schreeuwt om publicatie....'' Dr. Simons aarzelt even, kijkt dan plots mijn kant op. ,,Anne! Niets voor jou? Combinatie van kinder- en tropengeneeskunde. Publicatie op je naam. Ik help je wel.'' Ik schrik op. Het is een eer dat hij aan me denkt. Weigeren is geen optie. Maar terwijl ik enthousiast knik, bekruipt me het gevoel dat Simons vooral zélf wil publiceren. Ik mag schrijven en zijn naam komt erboven als `eerste auteur'.

Enkele uren later loop ik met dr. Derks de kamer van Babati binnen. En schrik. Zijn stoel, de infuuspaal ernaast: alles lijkt immens groot naast dit iele jongetje. Zijn magere beentjes bungelen vrolijk in de lucht onder de stoelzitting. Hij hoort ons niet binnenkomen, heeft al zijn aandacht gericht op zijn boterham met jam. Hij staart ernaar als naar een koningsmaal, prikt zorgvuldig elk stukje aan zijn vork. Met volle wangen, de jam druipend van zijn kin, kijkt hij naar ons op. Gebiologeerd staar ik in zijn grote, bruine glinsterogen, met de langste wimpers die ik ooit zag.

Dr. Derks vraagt hem een stukje te lopen. Zijn moeder vertaalt de vraag in het Swahili. Dan klautert hij uit de stoel en hinkelt door de kamer, zijn linkerbeen angstvallig omhoog, de infuuspaal als steun. Bij de muur kijkt hij lachend om, roept iets. Zijn moeder vertaalt: ,,Heen en terug?''

Dr. Derks schudt zijn hoofd en legt aan moeder de medische situatie uit: De zoveelste episode van salmonella osteomyelitis (botontsteking). Door zijn sikkelcelanemie is hij daar bijzonder gevoelig voor. We behandelen hem met antibiotica, morfine, en extra vocht. Moeder knikt en lacht dankbaar: ,,But he already so much better. Pain better. Eating again.''

Op de gang draait Derks zich om: ,,Ze heeft jaren gespaard om hem vanuit Tanzania hier te krijgen, denkt nog steeds dat we hem beter kunnen maken.'' ,,En dat gaan we ook!'' wil ik uitroepen, maar slik de woorden in. ,,Niet dus?'' Derks zucht. ,,Elf keer osteomyelitis in vier jaar! Het is een wonder dat hij nog leeft. Dat joch is een tijdbom.''

Met die woorden ben ik ze kwijt: de zorgvuldig aangeleerde `gedoseerde betrokkenheid', `professionele afstand'. Ik vlucht naar het balkon. Witte jas op vies beton, lege blik in de verte. `Dat joch is een casus, artikel, tijdbom, casus, artikel, tijdbom...' De medische etiketten galmen eindeloos na. Maar op mijn netvlies zie ik alleen maar twee bungelende beentjes, twee heldere ogen met intens lange wimpers.

Ik denk aan mijn patiëntjes van de afgelopen weken: peuterdiarree door te veel cola, gehospitaliseerde astmakindjes die na één keer `vernevelen' (medicatie inhaleren) alweer brullen om hun bestuurbare auto.

En plotseling wil ik ze inruilen. Zoals je van een junk een fiets krijgt als je hem tien euro overhandigt. Zonder aarzeling zou ik de astma's en cola-diarree's overhandigen. Twintig verwende astma's voor één gezonde Babati. Ik lach beschaamd. Gelukkig doet God niet aan onderhandelen. Ik zou niet voor mezelf instaan. Tweehonderd westerlingen voor één negerjongetje, voor twee lange wimpers en een euforische blik op een boterham met jam?

Ik schud mijn hoofd. ,,Stop die waanzin, An. Het is een lieve jongen en hij is ziek. Laten we het daarbij houden.''