Ramen ingooien

`De ramen moeten open, voordat iemand ze ingooit,' zei Gerd Leers, bijna aan het slot van zijn Thorbeckelezing. Een lezing? Vaak lijkt het meer op een requisitoir. Een wat bekorte tekst is afgedrukt op pagina 8 in deze krant van donderdag. `Dit land zit dringend verlegen om leiderschap. Politiek Den Haag wordt geteisterd door een gebrek aan visie', staat erboven. We weten het, we horen en zien het iedere dag, de kranten staan er vol mee, voorzitters van praatprogramma's leven ervan. En dan staan we weer voor het grote Nederlandse raadsel: er valt niets aan te doen. Andere landen worden getroffen door orkanen, vloedgolven, aardbevingen, modderlawines. Wij worden iedere dag van hogerhand bezocht door wolkbreuken van waarschuwingen, grote plannen, kwinkslagen, lachbuien, we leven in een doolhof van dik gebeuzel, we zeuren, klagen, mopperen en kankeren, en per slot van rekening doen we dan alsof het allemaal zo hoort. Dan komt de burgemeester van Maastricht. Hij verklaart dat we ons vergissen. Hij doet dat met allure, verdomd, hij meent het. De slijpsteen ruimt er een hele pagina voor in. Die man heeft gelijk!, zeggen we. Dan gaan we over tot de orde van de dag; want wat zou je anders moeten doen.

Na vier weken kwam ik terug in Nederland. Het winkelcentrum dat een satellietstadje van Schiphol is, ziet er mooi uit. Je komt buiten en meteen word je via een groot televisiescherm toegebruld door een rapper. Daarnaast nog twee schermen met reclame. Ordeloze benden reizigers werpen zich op een chaotische verzameling taxi's. Je bent hier geen vreemdeling, je weet dat hier het recht van de grootste bek geldt. Ik ken geen luchthaven waar je na aankomst zo rauw in de strijd om het bestaan wordt gegooid als onze Mainport.

Dankzij een bescheiden gebruik van de ellebogen zat ik betrekkelijk vlug op een achterbank. Naar Amsterdam. Boven de snelweg hing een bord met een in kleine lampjes aangebrachte tekst. `I love afstand houden.' Het is mondiaal bekend dat de voorhoede van de sportieve Nederlandse automobilisten tot de onbeschoftste ter wereld hoort. Met de wijsvinger tegen het voorhoofd tikken, middelvinger opsteken, 's nachts met je revolver of kalasjnikov de camera's voor de snelheidscontrole doorzeven, het hoort allemaal tot de normale Nederlandse weggebruiken. En dan komt een verkeersidealist met die half geplagieerde flauwekultekst.

De chauffeur vertelde me dat het een campagne is. Nog erger! Als er iets is dat ik heb leren vrezen, is het de overheidscampagne. Als belastingbetaler wil ik weten hoe lang door welke commissies over die campagne is vergaderd, welke beloning de dames en heren hebben gekregen, hoeveel zo'n bord kost en hoeveel er landelijk zijn opgehangen. Dit is mijn serieuze vraag aan het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Iedere dag rijden 650.000 automobilisten onder die omzichtig-leuke aanmaning door. Iedere dag denken er 650.000: onzin, of bekijk het, of doe het zelf. Zo'n bord is maar een heel klein symptoom van de nationale toestand.

Burgemeester Leers heeft om te beginnen één eigenschap die hem van verreweg de meeste overheidsdienaren onderscheidt: hij spreekt in eenvoudige, goedgebouwde volzinnen en dat doet hij duidelijk en met overtuiging. Geen zweem van politiek-Haags. Soms denk ik dat er al veel gewonnen zou zijn als onze volksvertegenwoordigers en bestuurders zich weer in normaal Nederlands gingen uitdrukken. Nooit meer op je borst wijzen en heel eerlijk zeggen dat je je in een spagaat bevindt, niet meer door één deur kan, niet meer zweren dat je niet te kort door de bocht alles uit de kast zult halen of dat anders de stekker eruit moet, wat dan opzichzelf nog een hele klus zal zijn. Politiek is taal. Al tientallen jaren zijn we bezig, politiek Den Haag over te halen om gewoon Nederlands te spreken, niet half ingeslikt, niet mompelig, niet vergeven van stokoude overdrachtelijkheden, maar direkt, hard, begrijpelijk. Misschien lukt het als je boven de ingang van de Tweede Kamer een bord hangt met in gloeilampjes: I love plain Dutch.

Er is één zin in de voordracht van burgemeester Leers die op mijn verbeeldingskracht werkt. `De ramen moeten open voordat iemand ze ingooit.' Binnen een jaar zijn we twee keer in de verleiding geweest, eerst na de moord op T.van Gogh en toen in de euforie over de uitslag van het Europese referendum. Je kreeg het gevoel dat de handen van veel medeburgers jeukten. Eén keer eens niet in de optocht met een verzetspetje op achter een spandoek met een protest aan te lopen, maar bèng, de eerste de beste steen door de eerste de beste ruit smijten. Met één krachtige armzwaai en glasgerinkel al die namaakleiders afdanken.

Binnenkort gebeurt er wel weer iets. Aanslag, groot schandaal, groot wild dier op de Veluwe, of het waarschijnlijkst: iets in het voetballen. De helderzienden hebben al voorspeld dat we volgend jaar wereldkampioen worden. Dick Advocaat moest voor zijn leven vrezen toen ons het Europese kampioenschap op het nippertje ontging. Ik zie aankomen dat het in Duitsland volgend jaar op dezelfde manier zal gaan. De Belgische revolutie is in de opera begonnen. Waarom de Nederlandse niet in een voetbalstadion? Niets is gevaarlijker dan een bozig, knorrig, bijterig ontevreden volk. Gerd Leers heeft gewaarschuwd.