Open boeken

Leesgedrag van tieners verandert niet snel, ontdekte Cedric Stalpers. Dus moeten ouders en scholen er extra hun best voor doen.

TIENERS DIE VEEL lezen, hebben een rijke fantasie en een grote honger naar kennis. Cedric Stalpers vond een direct verband tussen persoonlijkheid en leesgedrag. Er bestaat dus zoiets als een leestype. Stalpers promoveerde vorige week aan de Universiteit Utrecht op zijn onderzoek Gevormd door leeservaringen. ``Mijn bevinding verklaart waarom een leeshouding niet snel verandert: je persoonlijkheid verandert ook niet van de ene op de andere dag. En het maant ook tot realistische verwachtingen. Je kunt niet al te grote effecten verwachten van kortlopende leesbevorderingsprojecten. Je zult altijd een groep houden die je maar moeilijk aan het lezen krijgt.''

Stalpers is onderzoeksmedewerker bij de Vereniging van Openbare Bibliotheken in Den Haag. Hij promoveerde bij Letteren, maar gebruikte voor zijn proefschrift theorieën uit de psychologie over persoonlijkheidsleer. Hij legde tweehonderd scholieren (60 procent vmbo'ers, 40 procent havisten en vwo'ers) twee psychologische tests voor: een test die de mate van verbeeldingskracht meet en een die de mate van reflectie meet. Hij vond een verschil naar onderwijsniveau. ``Vmbo'ers zijn iets minder reflectief en iets minder fantasierijk, maar het is absoluut niet zo dat een vmbo-leerling per definitie minder fantasierijk en minder reflectief is dan een gemiddelde havist.'' Leerlingen die beide kenmerken hebben, lezen niet alleen veel. Ze schrijven ook in hun vrije tijd.

De aanleiding voor het onderzoek is het grote ledenverloop onder tieners in de bibliotheek. Jaarlijks zegt meer dan veertig procent van de jongeren tussen 18 en 20 jaar het lidmaatschap op.

Middelbare scholieren lezen veel minder dan leeftijdsgenoten een kwart eeuw geleden. En ze lezen ook minder dan ze deden als kind. Hoe dichter bij de achttien, hoe minder ze lezen, zegt Stalpers. Ouders gaan daarbij niet vrijuit. ``Die hebben al heel vroeg het idee dat ze kunnen stoppen met voorlezen en praten over boeken. Als ze merken dat hun kind eenmaal goed kan lezen, denken ze: dan kan ik er wel mee stoppen.'' Jammer, vindt Stalpers. ``Een elfjarige snapt bepaalde teksten wel als ze worden voorgelezen, maar niet als hij of zij ze op eigen kracht moet lezen.''

Stalpers nam bij vierhonderd scholieren vragenlijsten af. Van die scholieren vindt bijna de helft het lezen van fictie leuk; iets meer dan een kwart heeft een hekel aan lezen. Meer meisjes dan jongens houden van lezen. Een op elke twee meisjes houdt er van, terwijl maar een op de drie jongens graag een boek pakt. En zoals genoemd verschilt de leesliefde met het opleidingsniveau. Van de vmbo'ers vindt 36 procent lezen leuk, tegenover 57 procent van de havisten en 64 procent van de vwo'ers. ``Probeer als docent ervoor te zorgen dat leerlingen op school plezierige leeservaringen kunnen opdoen. Bijvoorbeeld door tijd te reserveren voor vrij lezen'', adviseert Stalpers.

Het leesklimaat thuis is belangrijk. Ouders hebben een sterker effect op de leeshouding van kinderen dan de docenten op school, ontdekte Stalpers. Tieners uit gezinnen waarin veel wordt gelezen, veel over boeken wordt gepraat, die regelmatig zijn meegenomen naar de bibliotheek, lezen zelf ook meer. Dat vmbo'ers minder lezen, komt ook omdat ze thuis en met vrienden weinig over boeken praten. De docent op school vertelt meer over boeken dan pa en ma. Desondanks geeft bijna de helft van de vmbo'ers aan niet te weten of de docent in zijn vrije tijd boeken leest.

Onder de vmbo'ers zijn relatief veel leerlingen die niet goed zijn in lezen, en daardoor het plezier in lezen hebben verloren. Volgens Stalpers gaat het om 15 procent. ``Stel je bent tiener en je bent minder goed in lezen dan je klasgenoten. Je wordt vergeleken met anderen, je krijgt feedback van docenten. Dat horen alle anderen ook. Dan wordt lezen heel bedreigend. Bij die leerlingen is het zaak ze individueel te coachen. Ze weer zelfvertrouwen te geven als het om lezen gaat.''

Het bibliotheekbezoek blijft dalen. Maar daar kan de bibliotheek ook wat aan doen, zegt Stalpers. ``Bibliotheken mogen best iets ondernemender worden. Als een jongere achttien wordt, krijgt-ie een acceptgiro met een briefje erbij over de verhoging van de contributie en dat is het dan. En heel vaak is het alleen een acceptgiro. Dat valt natuurlijk rauw op je dak. Je kunt veel beter tieners die niet vaak komen ieder half jaar een uitnodiging sturen in de trant van: kom langs, dan mag je een gratis boek of cd lenen.''

Maar er ligt ook een taak voor het voortgezet onderwijs. Bibliotheken en basisscholen werken nauw samen aan de nationale voorleesdagen, de kinderboekenweek, aan allerlei leesbevorderingsprojecten. De samenwerking tussen bibliotheek en middelbare school verloopt daarentegen stroef. ``Vaak ben je afhankelijk van één docent die wel zin heeft in samenwerking, maar zijn de overige negentien terughoudend. Als die ene docent dan naar een andere school gaat, is meteen het afgelopen.''