Lawines, sneeuw en gebrekkige hulp

Een week na de aardbeving in berggebied van Pakistan hebben honderden dorpen nog geen hulp gekregen. Dat komt vooral door aanhoudend natuurgeweld en een chaotische hulpoperatie.

Juist op het moment dat een konvooi met hulpgoederen door het stadje trekt scheurt de berg open. Het dondert in de verte, maar het is niet het geluid van een aardbeving. Paniek in de ogen van de mensen op straat. Ze kijken om zich heen, naar de rivier beneden, dan naar de bergen die hoog boven Garhi Habibullah uittorenen. Geschreeuw. ,,Bhago, bhago! Pani aa raha hay!'' Rennen, rennen! Het water komt eraan!

Dan stort de modderlawine zich over het stadje uit – een woeste stroom van bruin water, over een breedte van 200 meter, gevuld met modder, keien en gruis. Auto's en trucks proberen om te draaien op de smalle weg, maar twee jeeps en hun inzittenden worden meegesleurd naar de rivier. Mensen sprinten weg, sommigen met kinderen, gewonde familieleden of pas veroverd voedsel op de rug. Ze rennen de brug over, en verder, de bergen in. Een oude Iraanse hospitaalbus waarin artsen volop aan de slag zijn wordt net gespaard door de bergtsunami, zoals een inwoner het noemt.

Hoog boven het toch al zwaar gehavende stadje, waar de aardbeving van vorige week volgens de politie meer dan duizend levens eiste, zien de bewoners hoe wegen worden weggespoeld en de omgeving voorgoed verandert. Weer is een aantal dorpen afgesneden van de rest van Pakistan.

Een geluk is dat het water in de Kunhar laag staat, zodat het grootste deel van de lawine in het rivierbed wordt afgevoerd. Het lot van de inzittenden van de jeeps is niet bekend. Het onheil in het Pakistaanse deel van de Himalaya komt nu niet alleen van onder het aardoppervlak, maar ook van boven. ,,Het houdt pas op als God het wil'', verzucht Azhar Iqbal, een jonge bewoner uit Doga, een dorp in de bergen.

Het aanhoudende natuurgeweld verklaart deels hoe het mogelijk is dat een week na de eerste aardbeving vele duizenden bewoners in zo'n 600 bergdorpen nog geen hulpverlener hebben gezien. Overlevenden die erin zijn geslaagd de vallei te bereiken vertellen over hun doden en gewonden, vaak kinderen met botbreuken of open wonden. Voor hen is een voetreis naar beneden geen optie. Ze proberen te slapen in de open lucht of in de ruïnes. Elke dag voelen ze nieuwe aardschokken en zien ze modderlawines en instortende hellingen. Veel van de dorpen zijn nu ook te voet moeilijk bereikbaar. Deze week viel bovendien de eerste sneeuw.

De bergbewoners zien sinds donderdag wel steeds helikopters overvliegen, waaronder de enorme Amerikaanse Chinooks. ,,We weten dat de hulp er is, maar niet voor ons'', zegt Amir Shahzad, ook uit Doga. Het dorp was alleen over een geitenpaadje te bereiken, maar dat is nu verdwenen. Zestig inwoners werden er een week geleden levend begraven. De bewoners hoorden de klagende noodroepen om water en pijnstillers. Maar steeds zachter klonk het, tot het stil werd.

Shahzad is met een aantal overlevenden weggetrokken en neergestreken op een begraafplaats langs de weg naar Mansehra, een stad aan de Karakoram Highway. Daar zien ze de ene vrachtwagen na de andere passeren, maar de meeste rijden door, richting Muzaffarabad in Kashmir, een dal verderop, hemelsbreed nog geen twintig kilometer.

Dat is het andere probleem bij de reddingsoperaties: een totaal gebrek aan coördinatie. Vanuit heel Pakistan komen voertuigen met kleren, voedsel en dekens. Het lijkt wel of het hele land is gemobiliseerd om de broeders in de bergen te helpen. In alle steden en dorpen worden inzamelingen gehouden. Maar de hulp is zo overweldigend dat die een nieuw probleem creëert: op de bergweg naar Balakot, een zwaar getroffen stad vlakbij, sluiten de voertuigen aan in de file achter een huurauto uit Rawalpindi, een ambulance met loeiende sirene uit Dubai, een bus met reddingswerkers uit Japan en Turkije, artsen uit Noorwegen, verplegers uit Maleisië. Het tekent de goede bedoelingen in de wereld, maar ook de complexiteit van hulpverleningsoperaties.

De meeste hulp concentreert zich op de zwaar getroffen steden, zoals Muzaffarabad en Balakot, die door de files volstrekt onbereikbaar zijn geworden. In de hooggelegen bergdorpen zien ze alleen de helikopters en de files in het dal. De wegen zijn hier en daar zo vol dat niet alleen slachtoffers, maar ook hulpverleners langs de weg kamperen. ,,Heel frustrerend'', zegt chauffeur Ahmad Shah, die met zijn volgestouwde auto al twee dagen onderweg is vanuit Zuid-Pakistan. Ironisch genoeg hebben de hulpverleners wél genoeg dekens bij zich om zich een nacht te redden in de kou.

In de steden lijkt niemand te weten waar de goederen heen moeten. Vrachtwagens dumpen kleding en voedsel in het midden van de stad, waar ze direct worden aangepakt door bewoners. Meestal zijn dat niet degenen die de spullen nodig hebben, zoals de inwoners van de bergdorpen waar de voertuigen niet kunnen komen. In Balakot is inmiddels een overvloed aan kleding – zodanig dat sommige bewoners er handel mee drijven. Wel is er nog altijd een groot tekort aan tenten, dekens en medicijnen.

Het gebrek aan coördinatie komt mede doordat veel lokale ambtenaren ,,onder het puin zijn begraven'', zoals generaal-majoor Farooq Ahmad Shah gisteren zei. De overlevenden zijn niet in staat een operatie te leiden waarin honderdduizenden burgers, talloze organisaties en vrijwilligers uit tientallen landen op eigen houtje het gebied binnentrekken en naar bevind van zaken handelen.

Het leger is met twee divisies aanwezig, maar vooral bezig met puinruimen, het herstellen van wegen en het bouwen van tentenkampen. De hulpverlening is zo fragmentarisch dat weinigen het overzicht hebben over zelfs maar een deel van een stad. Medici, als ze een stad hebben bereikt, gaan meestal op een centrale plek aan de slag. Daar wachten de meeste patiënten. Burgers, meestal jongemannen, begeleiden verkeersstromen, verdelen de hulp en grijpen in bij vechtpartijen om goederen, met wisselend succes. Iedereen is momenteel een beetje overheid.

De dorpen op de hellingen lijken de dupe van de ineenstorting van de regio en zijn overheid. Volgens generaal Farooq is de infrastructuur in de valleien van de Neelum en de Jhelum zodanig verwoest dat het de vraag is of alle slachtoffers voor de winter, die binnenkort definitief inzet, onderdak hebben.

Ondanks de chaos is volgens VN-coördinator Jan Egeland de hulpoperatie in de eerste week ,,zo goed verlopen als mogelijk was''. Het Pakistaanse leger heeft inmiddels een operatie op touw gezet om met honderden bepakte ezels de bergen in te trekken en op zoek te gaan naar de andere mensen in nood.