Koninlijke vriendschap en steun

De kabinetsformatie in de zomer van 1952 voor het kabinet-Drees III was langdurig. Koningin Juliana en prins Bernhard oefenden grote druk uit om hun vriend, de partijloze Johan Willem Beyen, minister van Buitenlandse Zaken te laten worden, zo bleek uit onderzoek van W.H. Weenink. Uiteindelijk werd Beyen benoemd en zou hij Europa veranderen.

In het voorjaar van 1952 had Johan Willem Beyen het gevoel dat hij aan het mislukken was. Deze internationale bankier en bewindvoerder bij Internationaal Monetair Fonds en Wereldbank in Washington, die een grote reputatie als financieel specialist had opgebouwd, had het idee dat hij de laatste tijd voor elk examen zakte, zo schreef hij eind april aan prins Bernhard.

Beyen was sinds eind jaren dertig nauw bevriend met het prinselijk paar. Hij mocht Juliana en Bernhard tutoyeren en hij was een graag geziene gast op Soestdijk en op partijtjes en reizen van de kroonprinses en haar man. Zelfs had hij voor de oorlog tijdens een tochtje met een speedboot Bernhards leven, en mogelijk dat van de monarchie gered, toen de prins overboord was geslagen en zich ternauwernood nog aan het stuur kon vasthouden. De a-technische Beyen wist de boot op tijd tot stilstand te brengen.

In de Tweede Wereldoorlog had Beyen in Londen nauw met Bernhard samengewerkt, vooral bij het maken van toekomstplannen voor Nederland en Europa. Dat gebeurde tijdens lunchbijeenkomsten met een select groepje zakenlieden en een enkele vooraanstaande politicus of militair. Het had de vriendschap verdiept en Bernhard was nog meer onder de indruk geraakt van Beyens denkkracht over de inrichting van de naoorlogse wereld.

Kort na de oorlog was Beyens vriendschap met Bernhard bezegeld door zijn opname in de `dassenclub', een groep intieme vrienden van de prins die door één regel werd verbonden; ,,dat men te allen tijde voor elkaar moest instaan, in elk opzicht''.

De teleurstelling van Beyen over zijn vooruitzichten kwam allereerst voort uit het mislopen van de hoogste post bij het IMF, die van managing director. Hij had het gevoel dat het tijd geworden was voor voor iets anders – maar wat?

Kort na deze tegenslag kwam zijn benoeming door koningin Juliana tot Commandeur in de Orde van Oranje Nassau volgens hem weliswaar ,,op het juiste moment'', en ,,deze volkomen onverwachte erkenning'' van zijn werk in Washington maakte Beyen ,,zeer gelukkig'', meldde hij Bernhard. Maar ze was geen stimulans om nog lange tijd op de oude voet door te gaan.

Het inmiddels koninklijk paar dacht er net zo over. Bernhard, die er al eerder blijk van had gegeven dat de toekomst van zijn vriend hem na aan het hart lag, was ,,helemaal niet treurig'' dat Beyen de toppositie bij het Fonds was misgelopen. De prins had namelijk ,,nog andere ideeën'' voor zijn vriend, ,,die misschien in de niet al te verre toekomst te verwezenlijken zijn''. Maar dan moest Beyen daar wel achter staan: ,,Volkomen sans préjudice en zonder enige vaste gedachte zou ik alleen maar even van je willen horen of jij principieel tegen een eventuele overgang naar een diplomatieke carrière bent, of dat je zoiets, mits groot genoeg, wel in overweging zoudt willen nemen'', schreef de prins, die in het algemeen niet werd gehinderd door de vraag of zijn handelen constitutioneel in de haak was.

Beyen was ,,zeer dankbaar'' voor de prinselijke aandacht voor zijn toekomst, en schreef ,,in principe zeer geïnteresseerd'' te zijn. Hij toonde zich dan ook ,,zeer benieuwd naar de denkbeelden'' van de Bernhard.

Tijdens het bezoek dat Beyen en Gretel kort daarop tijdens hun Europese zomerverlof van 1951 aan hun vrienden op Paleis Soestdijk brachten, troffen ze een enthousiaste Bernhard. De prins bleek ,,grootsche plannen'' met zijn vriend te hebben. Maar deze verkeerden kennelijk nog in een pril stadium – degenen die er besluiten over zouden moeten nemen – zoals minister D.U. Stikker van Buitenlandse Zaken – werkten nog niet mee.

Juliana en Bernhard wilden echter vaart zetten achter hun plannen met Beyen. Stikker kreeg eind augustus 1951 een telefoontje van de koningin, waarin ze onomwonden haar voorkeur uitsprak voor de benoeming van Beyen als ambassadeur in Londen na het aanstaande vertrek van ambassadeur jhr. E.F.M.J. Michiels van Verduynen, dit ten nadele van de diplomaat jhr. H.F.L.K. van Vredenburch. Ze bracht Stikker er bovendien van op de hoogte dat Beyen haar man de indruk had gegeven een dergelijke post te ambiëren.

De interventie bleef niet zonder gevolg. In een gesprek dat Stikker een paar dagen later had met minister P. Lieftinck van Financiën – Beyens directe baas – stelde hij Beyens positie uitgebreid aan de orde. Lieftinck bevestigde in het gesprek dat Beyen graag in de diplomatieke dienst wilde treden. Dit ontlokte bij Stikker later in de handgeschreven aantekening die hij van het gesprek met Lieftinck maakte, het commentaar dat Beyen dan eerst maar eens op een ,,kleine dipl. post'' moest beginnen.

Die gedachte liet Stikker echter al weer snel los, getuige de ontmoeting die hij op 12 september in Washington met Beyen had. De minister vergewiste zich van de ernst van Beyens diplomatieke ambitie en noteerde dat deze Londen bovenaan zijn lijstje had staan, en ,,met iets minder animo'' voor Bonn in aanmerking zou willen komen. Hoe serieus Stikker dit alles toen opvatte, blijkt uit de vraag die hij aan zijn secretaris-generaal, H.N. Boon, stelde, namelijk of het Britse staatshoofd nog steeds bezwaar maakte tegen gescheiden ambassadeurs.

Begin 1952 neigde Stikker ertoe om, ,,ondanks sterke oppositie ten Departemente'', Beyens benoeming in Londen te bevorderen, schreef Lieftinck vertrouwelijk aan Beyen. En ook de prins, die Beyen beloofde de zaak ,,op een heel voorzichtige manier trachten op te porren'', kreeg een positief bericht van Stikker. De minister liet de prins wel weten dat hij eerst nog andere kandidaten voor Londen een post elders moest bezorgen.

Het was voor Beyen echter nog geen gelopen race, terwijl hij juist zo snakte naar verandering. Mondeling en schriftelijk drong hij bij Stikker en Lieftinck vergeefs op een beslissing aan, en hij hield Bernhard nauwgezet van de ontwikkelingen op de hoogte.

Tijdens een lang onderhoud dat hij in april 1952 in de marge van het bezoek van koningin en prins aan de Verenigde Staten met Stikker had, wilde Beyen ,,een meer positieve uitspraak'' van de minister horen. Deze liet echter doorschemeren dat een besluit waarschijnlijk door het volgende kabinet zou worden genomen. Dat zou nog een flinke portie geduld voor Beyen betekenen. Op 25 juni zouden Tweede-Kamerverkiezingen worden gehouden, en de formatie kon ook nog wel even duren. Dat was voor Beyen de tweede reden te menen dat hij op dood spoor zat.

Bernhard verzekerde Beyen begin mei echter dat ,,Marie Anne Tellegen en ik hier zullen blijven duwen''. De steun van eerstgenoemde was van groot belang. `Mejuffrouw' Tellegen was directeur van het Kabinet der Koningin en als zodanig betrokken bij alle benoemingen waar Juliana haar goedkeuring aan moest geven. Het kwam Beyen goed uit dat Marie Anne Tellegen een vertrouwde Utrechtse studievriendin was. Ze ontpopte zich als bondgenoot van formaat. Als schakel tussen politiek en staatshoofd was Tellegen direct betrokken bij kabinetscrises en formaties. En ze liet zich met verve ten gunste van hem gelden.

Niet bescheiden

In het aprilgesprek met Beyen was Stikker iets bijzonders opgevallen: ,,Ik kreeg de indruk dat hij [Beyen] niet alleen belangstelling voor Londen, doch misschien ook voor de door mijn vertrek openkomende plek in Den Haag zou kunnen hebben.'' En hij bond zijn hoogste ambtenaar, Boon, aan wie hij dit uit New York schreef, op het hart ,,dit laatste [...] als strikt persoonlijk [te] beschouwen''.

Dat deze indruk juist was, blijkt uit het verslag van Beyen aan Bernhard over dit gesprek. Stikkers woorden hadden hem tot de conclusie gebracht dat hij zich beter kon gedragen ,,alsof Londen van de baan is''. ,,Mocht het toch nog komen, `tant mieux'.'' Dat wilde niet zeggen dat zijn ambitieniveau was afgenomen. Integendeel: ,,[...] wat ik wil is niet bescheiden, en ik ben, door de voor mij onverwachte ambassadeplannen, niet bescheidener geworden.''

Beyens ambitie bracht Stikkers denken in een hogere versnelling. Zelf hoefde hij niet meer zo nodig, ,,ziek en uitgeput'' als hij zich voelde en met een partij – de VVD – die de indruk wekte zich beter thuis te voelen in de oppositie. Hij liet Boon weten dat hij een benoeming van Beyen als minister ,,zowel politiek als technisch [...] niet onwenselijk'' zou vinden, onder andere omdat hij ,,mogelijkerwijze een goede invloed op HM zou kunnen uitoefenen''.

Hiermee doelde Stikker vermoedelijk op de vrijheid die Juliana zich tijdens haar reis door de Verenigde Staten tot zijn verdriet op het terrein van de buitenlandse politiek had veroorloofd met haar pacifistisch getoonzette redevoeringen.

De bewindsman had nóg een argument om welwillend te staan tegenover een ministerschap van Beyen. Stikker had tijdens het gesprek van april in Washington gemerkt dat Beyen zijn ,,zorgen'' deelde ,,over het drijven van het Nederlandse parlement naar een Europese federatie''. Deze houding van Beyen zou voor Stikker de ,,aanleiding'' zijn hem bij Drees ,,aan te bevelen voor mijn opvolging''.

Stikker verloor bij dit alles zijn persoonlijke belangen niet uit het oog. Hij had zelf zijn zinnen hoe langer hoe sterker op het ambassadeurschap in Londen gezet. En wie zijn opvolger zou worden, was dus ook voor het vervolg van Stikkers loopbaan van belang. Beyen leek in Stikkers opzet te passen. Stikker had natuurlijk niet het laatste woord over de ministerskeuze voor een nieuw kabinet, maar hij wist wel dat Beyen niet zo maar een kandidaat was. Stikker had de druk van het hof ervaren om Beyen in een invloedrijke positie te benoemen. Uit zijn brieven aan Boon was af te leiden dat die koninklijke pressie verder werd opgevoerd tijdens de reis die Stikker met koningin en prins door Amerika maakte.

Zo was Beyen een man geworden met wie ook in de binnenlandse politiek rekening gehouden moest worden. Het feit dat hij partijloos was, deed daar niet aan af. Het zou hem eerder gemakkelijker inzetbaar maken, zeker met steun van koningin en prins. En met die van Marie Anne Tellegen, de ,,eminence grise van Den Haag'', die intussen niet verzuimde Beyen bij Drees aan te bevelen.

Aardverschuiving

Toen Beyen in de zomer van 1952 met Gretel en zijn stiefzoon Johnny op de `Westerdam' voor verlof uit Amerika naar Nederland reisde, was hij zich ervan bewust dat zijn kaarten niet ongunstig lagen. In Nederland aangekomen merkte hij dat het gerucht alom in het Haagse regeringscentrum rondzong.

Toen Beyen in juli zijn intrek had genomen in het Scheveningse Palace Hotel, was naast de deur in Den Haag de formatie begonnen. Op 25 juni hadden de derde verkiezingen na de Tweede Wereldoorlog, in het licht van de toenmalige verzuilde politieke verhoudingen, een aardverschuiving veroorzaakt. De PvdA had stevig gewonnen en was onverwachts de grootste partij geworden in plaats van de KVP, die had verloren. PvdA-leider en demissionair premier W. Drees was daarom de logische formateur van een parlementair kabinet. Drees koerste aan op een coalitie van PvdA met de christelijke partijen KVP, ARP en CHU.

Drees, door Tellegen attent gemaakt op Beyen, zag wel iets in deze partijloze bankier als opvolger van de zakenman Stikker, met wie hij het goed had kunnen vinden. Maar de KVP dreigde het plan Beyen op het schild te heffen te verstoren. De fractieleider van de KVP in de Tweede Kamer, C.P.M. Romme, liet Drees weten dat Buitenlandse Zaken in rooms-katholieke handen moest komen.

Dit was een idee waarvan de formateur niet gecharmeerd bleek. Deze sloot aanvankelijk een KVP-bewindsman op dat departement uit, zeker als deze de Europese aangelegenheden zou behandelen. Als ook Nederland een katholieke minister van Buitenlandse Zaken kreeg, zouden alle zes landen van de zojuist in werking getreden Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS) op Europees vlak door een minister van Buitenlandse Zaken uit een rooms-katholiek getinte partij worden vertegenwoordigd, en dat was voor de sociaal-democraat Drees onverteerbaar. In overleg met Romme zette hij vervolgens in op de anti-revolutionaire J. Meynen, ook een oud-ondernemer (AKU) en kort na de bevrijding enige tijd minister van Oorlog. Deze stuitte bij de koningin echter op ,,zeer grote bezwaren''.

Het gevolg van deze koninklijke blokkade was dat Beyen nog steviger op Drees' lijstje van mogelijke bewindslieden voor het nieuwe kabinet kwam te staan. Dat zal naar genoegen van het staatshoofd zijn geweest, want er hoeft niet aan te worden getwijfeld dat behalve prins Bernhard ook koningin Juliana Buitenlandse Zaken als een uitstekende bestemming voor hun vriend zag. ,,Koningin Juliana had een zwak voor Beyen'', en ze speelde ,,een grote rol'' bij diens benoeming tot minister, aldus de inmiddels overleden J. Zijlstra, Beyens latere collega van Economische Zaken, in een gesprek in de zomer van 1999. Elders had Zijlstra opgemerkt: ,,Beyen was highly regarded by the queen, which played a role behind the scenes''.

Gedurende vrijwel de hele formatie stond Beyen in de belangstelling van de achtereenvolgende (in)formateurs. Maar de kandidatuur van Beyen, met eventueel een minister zonder portefeuille naast zich, botste voortdurend tegen het verlangen van de KVP Buitenlandse Zaken in handen te krijgen.

Tafelschikking

Tijdens de formatiepoging van PvdA-fractieleider L.A. Donker probeerde deze partij nog het duo J.M.A.H. Luns, toen diplomaat bij de Nederlandse vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties en favoriet in KVP-kringen, en P.A. Blaisse, een van Economische Zaken afkomstig nieuw Tweede-Kamerlid, op Buitenlandse Zaken te krijgen. Donker beoordeeld beiden als te licht.

De koningin dacht er niet anders over. Ze kwalificeerde Luns als ,,de man, die voor de tafelschikking zorgde''. Hij moet eerst maar ,,eens een tijdje ambassadeur zijn''. Ook voelde de vorstin niets voor de combinatie A.B. Speekenbrink, financieel en economisch adviseur van de Nederlandse Hoge Commissaris in Indonesië, en het Kamerlid Marga Klompé, woordvoerder Europa van de KVP, die zeer geïnteresseerd was zich te doen gelden op het terrein van de buitenlandse politiek

Donker, die elke ,,credietbenoeming'' juist op dit departement van de hand bleef wijzen, stelde daarop voor het ministerschap van Buitenlandse Zaken de partijloze Beyen aan te bieden en naast hem een minister van de KVP zonder portefeuille te zetten – met compensatie voor deze partij elders in het te vormen kabinet. Maar het voorstel werd van katholieke zijde te mager bevonden, waarna ook deze formatiepoging op niets uitliep. In feite struikelde de formatie-Donker over Luns, die de aangewezen eerste kandidaat van de KVP was. Juliana greep weer in. Ze liet de formatie wat de bezetting van Buitenlandse Zaken betreft de kant van Donkers laatste voorstel uitgaan. Een tussentijdse sondering met minister van Oorlog en Marine C. Staf van de CHU en een daaropvolgend gesprek van de politieke hoofdrolspelers met de koningin op paleis Soestdijk resulteerde voor Buitenlandse Zaken in een ministerschap voor Beyen en in een ministerschap zonder portefeuille op datzelfde departement voor Luns.

Wel had Romme tegenover Staf nog een uiterste poging gedaan Luns toch als eerste man op Buitenlandse Zaken te krijgen. Toen dit mislukte (Staf: ,,Maar je kunt Beyen toch niet ondergeschikt maken aan Luns''), had hij als voorwaarde voor deelname van KVP'ers aan het kabinet gesteld dat Beyen en Luns gelijkwaardige bewindslieden op Buitenlandse Zaken zouden zijn en dat dit ook naar buiten toe zou komen vast te staan.

Staf stelde beide kandidaten op de ochtend van 30 augustus 1952 voor de keus deze oplossing te aanvaarden, of anders ook deze poging om tot een kabinet te komen te laten mislukken. Beiden gingen akkoord, maar niet zonder nadere afspraken. In het onderhoud met Staf kwamen de kandidaten overeen dat Beyen het genot van de ambtswoning zou krijgen. Verder zou hij een aantal functies vervullen die van oudsher aan de minister van Buitenlandse Zaken toevielen. Beiden zouden de gezamenlijke verantwoordelijkheid over het volledige beleid dragen. De precieze taakverdeling zou later worden bepaald.

Er is zelfs nog even sprake van geweest dat Luns zich ook in het binnenland met de titel `minister van Buitenlandse Zaken' zou mogen tooien. Maar na bezwaren van de Beyen-gezinde Marie Anne Tellegen, de directeur van het Kabinet van de Koningin, werd het desbetreffende koninklijk besluit gewijzigd. Haar argument was dat de Grondwet twee ministers van Buitenlandse Zaken niet toestond, omdat het buitenlandse beleid niet gedeeld kon worden.

Luns, die niet zo'n hoge pet op had van de ministeriële kwaliteiten van Beyen, werd minister zonder portefeuille, maar kreeg wel het recht in het buitenland de titel van minister van Buitenlandse Zaken te voeren. Zo leek een situatie van twee kapiteins op één schip, te zijn afgewend. Maar die spanningen zouden zich toch doen gelden en hun duoministerschap zou, zeker in het begin, stormachtig verlopen.

Koningin en prins hadden echter hún kandidaat aan het roer van Buitenlandse Zaken. Het betrof hier echter zeker niet alleen een vriendendienst. Ze waren beiden warme en overtuigde aanhangers van nauwe Europese eenwording, en ze kenden Beyen goed genoeg om te weten dat hij op dit terrein interessante ideeën had die een wending zouden kunnen brengen in het voorzichtige Europabeleid van voorgaande kabinetten.

Juliana en Bernhard kregen hierin gelijk. Door Beyens toedoen zóu Europa veranderen en hij zou in 1955 de beslissende stoot geven tot de vorming van de succesvolle Europese Economische Gemeenschap, de voorloper van de huidige Europese Unie. Het was een koers waar koningin en prins het van harte mee eens waren, zo blijkt uit redevoeringen die zij tijdens Beyens ministerschap hielden en waarbij hij hen vaak van advies diende. Het is daarom wrang dat Beyen aan het eind van zijn termijn, tot zijn woede en spijt, het vertrouwen van Juliana in een klap verloor wegens zijn optreden in de affaire-Greet Hofmans. Het etste een trauma in zijn ziel.

Dit is een bewerking van een deel van hoofdstuk V `Bewindsman voor Europa en Oranje' van W.H. Weeninks biografie `Bankier van de wereld. Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen (1897-1976)', die deze week is uitgekomen bij Prometheus/NRC Handelsblad.